PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 19: De verhoogde Christus (serie 1)

Zondag 19 · 17 oktober 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 19 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus worden de laatste trappen van de verhoging van Christus behandeld: Zijn zitten aan de rechterhand van God en Zijn wederkomst. Als verhoogd Hoofd van de Kerk regeert Hij alle dingen en giet Hij door de Heilige Geest hemelse gaven uit over Zijn leden. Met Zijn almacht beschermt en bewaart Hij hen tegen al hun vijanden. Zijn aanstaande wederkomst als Rechter biedt gelovigen diepe troost in alle droefenis en vervolging. Zij verwachten met opgericht hoofd Denzelfde Die hun schuld en vloek heeft weggenomen, om hen tot Zich te nemen in de eeuwige hemelse heerlijkheid.

THEMA

De laatste trappen van de verhoging van de Heere Jezus

KERNPUNTEN

  1. De reden van die verhoging
  2. Het nut van die verhoging
  3. De troost van die verhoging

ZONDAG 19

Vraag 50: Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelf daar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk, door wien de Vader alle ding regeert.

Vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Eerstelijk, dat Hij door zijn Heiligen Geest in ons, zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Vraag 52: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte, die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 19: De verhoogde Christus (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 19

THEMA

De laatste trappen van de verhoging van de Heere Jezus

Gemeente, de Catechismuspreken van de laatste weken gaan over de trappen van de verhoging van de Heere Jezus Christus. En als je daar, jongens en meisjes, over nadenkt, over die trappen, dan moet je maar denken aan een gewone trap met verschillende traptreden, waarop je stappen kunt zetten. De eerste trap, de eerste stap van de verhoging is: de Heere Jezus is opgestaan uit de dood. Daarna (dat is de volgende trap) is Hij naar de hemel gegaan. En nu gaat het over de derde en vierde traptrede, de derde en vierde stap van de verhoging van de Heere Jezus: Hij zit aan Gods rechterhand (dat is de derde traptrede) en Hij komt terug om te oordelen de levenden en de doden (dat is de vierde traptrede).

Het gaat vanmiddag over artikel 6 en 7 van de Twaalf Artikelen. Daarover gaat Zondag 19 van de Catechismus. Die gaan we eerst samen lezen, drie vragen en drie antwoorden:

Vraag 50: Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Antwoord: Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelf daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wie de Vader alle ding regeert.

Vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Antwoord: Eerstelijk, dat Hij door Zijn Heiligen Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Vraag 52: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Antwoord: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichte hoofde even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

Het gaat in Zondag 19 over: De laatste trappen (of stappen) van de verhoging van de Heere Jezus.

Er zijn drie aandachtspunten (en dat loopt parallel met de drie vragen en de drie antwoorden): 1. De reden van die verhoging (dat zien we in vraag en antwoord 50) 2. Het nut van die verhoging (dat zien we in vraag en antwoord 51) 3. De troost van die verhoging (dat zien we in vraag en antwoord 52) Als eerste dus:

1. De reden van die verhoging

Want er staat (en dan lees ik toch nog even vraag 50): Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Wat is de reden daarvan? En dan is het antwoord: Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelf daar (in de hemel) bewijze als het Hoofd van Zijn Christelijke Kerk, door Wie de Vader alle ding regeert. Dus, jongens en meisjes, de Heere Jezus is naar de hemel gegaan om Zichzelf daar te bewijzen, staat hier. Dat is eigenlijk een neiging die wij vooral hebben: onszelf bewijzen. Je zegt: ‘Ik zal weleens even laten zien, hoe goed ik ben. Ik zal weleens even laten zien, hoe hard ik kan lopen, hoe hard ik kan fietsen. Ik zal weleens even laten zien, hoe goed ik in dat spelletje ben.’ Maar zou de Heere Jezus ook zo zijn? Moet Hij Zich bewijzen in de hemel? Nee, dat moet niet, maar Hij doet het wel.

Na Zijn diepe vernedering (en dan denken we terug aan de trappen die naar beneden gingen, waarin Hij als mens zo veracht, bespot en vernederd is, ja, uiteindelijk zelfs is veroordeeld als een misdadiger en aan het kruis is gehangen), na Zijn eerdere diepe vernedering, nu mag en moet iedereen het zien, horen en weten: de Vader heeft Hem met eer en heerlijkheid gekroond, heeft Hem de hoogste plaats gegeven en een Naam boven alle naam opdat in de Naam van Christus alle knie zich buigen zou, in de hemel en op de aarde (Filippenzen 2:10). Hij is uitermate verhoogd en aan Hem is een heel bijzondere plaats gegeven: aan de rechterhand, aan de rechterkant van God de Vader in de hemel.

Een plaats aan de rechterkant, een plaats aan de rechterhand is eigenlijk een plaats van heel veel eer. Dat lees je ook in de Bijbel. Denk bijvoorbeeld maar aan de moeder van koning Salomo. Waar mag zij zitten? Aan de rechterkant van de troon van de koning (1 Koningen 2:19). Het is een plaats van heel bijzondere eer. Het is ook een plaats van heel grote macht, een plaats ook van gunst en liefde, als we denken aan de Hebreeënbrief: Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand? Tegen niemand. Behalve tegen Hem, de Zoon van God, Christus Jezus (Hebreeën 1:13).

Daar aan de rechterhand van de Vader zit Hij, staat er. Hij zit aan de rechterhand van de Vader in de hemel. Ja, het is wel waar, Stéfanus heeft Hem ooit gezien toen hij bijna

gestenigd werd, toen zag hij de hemel geopend en zei hij: Ik zie Hem staande (toen zat Hij niet, Hij stond Hij) ter rechterhand van God, als een teken dat de Heere Jezus in de hemel klaar stond om Stéfanus te hulp te komen (Handelingen 7:56).

Maar meestal wordt er in de Bijbel gezegd dat de Heere Jezus zit aan de rechterhand van de Vader. En dat zitten, drukt vooral rust uit. Het is klaar. Het is volbracht. Het drukt rust en voldoening uit. Het werk van de priesters in het Oude Testament was nooit klaar. Het was een heel duidelijke regel in het Oude Testament: een priester mocht (letterlijk) nooit gaan zitten. Er stond voor de priester geen stoel om uit te rusten. Maar deze Hogepriester, zegt de Bijbel in de Hebreeënbrief, heeft één offer geofferd (Zichzelf) en is nu tot in eeuwigheid gezeten (want het is volbracht, het is genoeg!) aan de rechterhand van de Vader. En daar heerst Hij als Koning, totdat Hij al Zijn vijanden aan Zijn voeten zal gelegd hebben (Hebreeën 10:12, 13).

Hij zit daar, zegt de Catechismus, als het Hoofd van Zijn Christelijke kerk, door Wie de Vader alle ding regeert. De Vader regeert alles door Hem. Dat wil niet zeggen dat de Vader afstand heeft gedaan van de troon. Maar de Vader heeft de regering als het ware overgegeven in de handen van Christus. Als het Hoofd. Dat is iemand die boven anderen staat, die regeert en bestuurt, een leider, een bestuurder. Het Hoofd van Zijn Kerk. Dat was Hij altijd al. Maar nu laat Hij het zien, nu laat Hij het blijken, nu is het zichtbaar. Hij is Koning. Niet alleen trouwens van de Kerk, maar Hij is een Koning Die alle ding regeert. Alles. Heel de wereld.

Je zegt: ‘Maar wat zien wij daarvan? Gaat alles in de wereld echt zoals Hij (de verhoogde Koning) wil? Als Hij dan in de hemel is ten goede van Zijn gemeente, van Zijn Kerk, waarom zat Johannes de Doper dan in de gevangenis en werd hij later onthoofd?’ ‘Ja, toen was de Heere Jezus met Zijn menselijke lichaam nog niet in de hemel, maar later dan: waarom komt Petrus in de gevangenis terecht en wordt Jakobus met het zwaard gedood? Waarom wordt Johannes verbannen en naar Patmos gestuurd?’ Trouwens, dichterbij, nu: ‘Waarom zijn er dan nu zoveel vervolgde christenen?’ Je zegt: ‘Wie is er eigenlijk koning op de aarde? De Heere Jezus Christus? Het lijkt wel alsof de duivel heer en meester is!’

Ja, dat lijkt zo. Maar je moet eigenlijk op een andere manier kijken. Dan zie je het wel. Want de Heere Jezus Christus in de hemel is niet een Koning, een Regeerder, een Uitvoerder van de macht van Zijn Vader zoals andere koningen in deze wereld. Die heersen, die regeren door zichtbare macht en soms als dat niet lukt door geweld, door oorlogen. Maar het Koninkrijk van Christus is een geestelijk Koninkrijk. Het gaat allemaal niet, dat heeft de Heere Zelf gezegd, door kracht en geweld. Het gaat niet met vliegtuigen, drones

en raketten, maar het gaat door de kracht van de Heilige Geest en door de kracht van het Woord, die in stilte werken, maar wel met grote kracht en majesteit.

En zo ziet de evangelist Johannes Hem ook op Patmos: als een overwinnende Koning. Hij ziet in een visioen een Man op een wit paard, met een kroon op Zijn hoofd (het is een Koning!), een boog in Zijn hand en Hij ging uit, zo zegt Johannes, overwinnende en opdat Hij overwon (Openbaring 6:2). En met die boog schiet Hij Zijn pijlen. En die pijlen treffen altijd doel. Zijn pijlen zijn woorden, gericht op stad Mensenziel. Hij schiet… En het is altijd raak.

Dus deze Koning bouwt Zijn Koninkrijk in stilte, in harten van mensen, door die te raken met Zijn woorden. Ja, straks als het definitief klaar is, dan zal het blijken, dan zal iedereen het zien. Maar nu nog bouwt Hij Zijn Koninkrijk in stilte, door in stilte harten van vijanden te raken, te overmeesteren en in te nemen. Door kracht? Door geweld? Door ze neer te maaien met Kalasjnikovs? Door ze te gijzelen? Door ze levend te verbranden? Nee. Dat is het werk van de grote tegenstander, van de duivel. Maar door het Woord van het Evangelie, dat vijanden -in stilte- dodelijk treft, mensen hun dubbelleven ontmaskert, zodat ze voor Hem vallen en gaan buigen.

Kan je dat zien, dat Koninkrijk? Ja, dat kan je zien. Maar je ziet het vooral als je zelf, als onderdaan van Gods grote tegenstander, de duivel, voor deze Koning gaat buigen. Dan zie je, dan ervaar je Zijn macht en majesteit. Als Hij zo’n scherpe pijl, in liefde gedoopt, in je eigen hart schiet. Als het Woord je raakt, met Goddelijke kracht indringt, binnendringt in je eigen hart. Als dat Woord (en Christus door dat Woord) je rukt uit de macht van satan en Zijn liefde uitstort in je hart. Als Hij leven blaast in je dode ziel en je verdriet krijgt over de zonden die je gedaan hebt. Als je honger krijgt naar het Woord van God, heimwee naar God Zelf. Als je door Zijn Woord jezelf leert kennen, God leert kennen en Christus leert vertrouwen. Dan zie je, dan ervaar je de macht van deze Koning.

Als dat gebeurt in je eigen hart, en als je dat soms in stilte ziet gebeuren in harten van andere mensen, dan zie je het werk van deze Koning, van deze overwinnende Koning. Dan weet je het, dan zie je het: Hij is echt Koning.

Ook als we in de kring van de gemeente samen als mensen buigen voor dit Woord van de Koning (niet voor andere dingen, eigen voorkeuren, gevoelens of ideeën, maar buigen voor het Woord), dan erkennen we de macht van deze Koning, van Christus en dan zullen we die macht ook als gemeente zien en ervaren. Dan zullen we zien en ervaren wat we samen gezongen hebben: God heerst als Opperheer.

Zeker, er is in deze wereld (en daarvoor hoef je niet zo ver te kijken) heel veel ellende. Als je daarnaar kijkt dan zeg je: ‘Is dat nu wel waar, waar zie ik nu de macht van de Opperheer in de hemel?’

‘t Is nog maar even, dat de duivel alles in het werkt stelt om zijn laatste kansen en mogelijkheden die hij gekregen heeft te benutten, om te verstoren, om af te breken, om te verwoesten, om te beschadigen. Maar het is onze troost, zegt de Catechismus: Christus is de opperste Koning en Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. En nog maar heel even en dan zal Hij die macht ook laten zien! En dan zal Hij tot in eeuwigheid als Koning regeren en al Zijn vijanden onder Zijn voeten leggen.

‘Maar wat heb ik daaraan?’, zeg je, ‘wat is het nut daarvan?’ Dat vraagt ook vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Het antwoord zegt: Eerstelijk, dat Hij door Zijn Heiligen Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart. Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Het nut van die verhoging

De Catechismus noemt twee dingen. Als eerste: dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Die verhoogde Koning in de hemel, jongens en meisjes, giet gaven uit. Die geeft dingen, zo veel en zo rijk, alsof er met een grote gieter water uit de hemel naar beneden gegoten wordt. Wat dan allemaal? En voor wie is dat dan allemaal? Eerst dat laatste. De Catechismus zegt: het wordt gegeven, het wordt allemaal uitgegoten aan ons, Zijn lidmaten, Zijn ledematen. Ledematen, dat zijn armen, vingers, benen, noem maar op: het hele lijf. Eerst is er het hoofd en daaronder zit de rest: het lichaam, de ledematen. Dus wie krijgen nu die gaven van Christus uit de hemel? Aan wie geeft Hij al die rijkdom van giften? Niet aan iedereen, maar aan degenen die aan Hem verbonden zijn. Zoals het hoofd vastzit aan het lichaam, zo zit het Hoofd van de Kerk, de Heere Jezus Christus in de hemel als het ware en ook werkelijk vast aan het lichaam, aan de Kerk, aan Zijn kinderen op de aarde. De kinderen van God op de aarde zitten letterlijk, als een lichaam, vast aan het Hoofd in de hemel.

En wat krijg je dan allemaal van het Hoofd uit de hemel? Welke gaven giet de verhoogde Koning dan uit naar de aarde? De eerste gave is: de Heilige Geest. Niet de gaven van de Heilige Geest, maar de Heilige Geest Zelf. Daar gaat de volgende Zondag ook over, over de Heilige Geest, Die met Pinksteren uitgegoten is als water uit de hemel, uitgestort uit de hoogte als waterstromen op een dorstig land. Ja, want in zichzelf zijn Gods kinderen arm, droog als een dorstig land. Maar de Geest is uitgestort, zo had de profeet het van tevoren ook al gezegd, als water op het droge en als stromen op het dorstige land (Jesaja 44:3).

De Heilige Geest is de grote Gave van Christus, Die… Wat doet de Heilige Geest? De Heilige Geest is het, Die zondige mensen een nieuw hart geeft (Zondag 3), Die geestelijk dode mensen levend maakt. De Heilige Geest is het, Die overtuigt van de zonde, Die ons dubbelleven ontmaskert. Het is de Heilige Geest, de Gave van Christus, Die leert hongeren en dorsten naar Hem, naar Christus, Die leert verlangen naar Hem, Die ook de ruimte opent die er in Hem is en Die brengt tot geloof in Hem en daarmee het verlangen van gebroken harten meer en meer vervult. Het is de Heilige Geest, Die in de harten van Gods kinderen een haat geeft tegen de zonde en, zoals de Bijbel zegt, de Wet schrijft in hun binnenste, in hun harten, om heilig voor de Heere te leven. En het is ook de Heilige Geest Die in het leven van Gods kinderen de band herstelt tussen hen en God, en hen ook (minder of meer) daarvan verzekert. Grote rijkdom van gaven is er, in de Heilige Geest, Die geschonken is aan Gods kinderen. Maar wat leven wij daar vaak ver vandaan, ver van die rijkdom van Christus. Alles is in Hem en Hij giet het uit. Maar wat zitten wij vaak vast aan deze aarde. Wat leven wij vaak ver van die rijkdom van gaven vandaan.

De Geest is het, Die de rijkdom van Christus werkt in het hart. Maar dat niet alleen. De Geest Zelf geeft ook weer gaven. Ik bedoel de gaven van de Geest, persoonlijk, maar ook in het gemeenteleven. Wat zijn dat, die gaven van de Heilige Geest? Al die dingen die je als mens nodig hebt om de Heere te dienen. Paulus noemt er een aantal in Kolossenzen 3: ootmoed (buigen voor anderen), liefde, vergevingsgezindheid (willen vergeven wat anderen misdaan hebben), broederlijke liefde, vertrouwen en onderling respect. De ander (Filippenzen 2) meer achten dan dat jezelf bent. En Paulus wijst in Galaten 5 ook op vrucht, op gaven van de Geest, als hij spreekt over de vrucht van: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, geduld, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Het zijn allemaal gaven die de Heilige Geest wil uitgieten, die Christus wil uitgieten uit de hemel op Zijn kinderen.

Dat is het eerste nut van het zitten aan Gods rechterhand: dat Hij Zijn gaven uitgiet. Het tweede nut van wat de Heere Jezus doet in de hemel is: dat Hij ons met Zijn macht (en kracht) tegen alle vijanden (die hier op de aarde zijn) beschut (beschermt) en bewaart. Nou, die vijanden zijn er, vijanden van Gods kinderen: de duivel, de wereld, de zonde en die allemaal hebben een vriend in ons eigen hart: onze oude mens. Vijanden tegen wie we niet kunnen vechten in eigen kracht. Zeker, het gebed is een machtig wapen en daarom vermaant de apostel ook om wakende te zijn in de gebeden (1 Petrus 4:7). Maar we weten tegelijkertijd ook dat we niet bidden kunnen zoals het behoort (Romeinen 8:26).

Maar gelukkig (en dat is echt onze troost!): Christus is er, met Zijn macht en bewaring, in de hemel. En de Geest Die gegeven is in ons hart, houdt ons vast en bewaart ons bij dat gebed, bij dat machtige wapen.

De reden van die verhoging, het nut ervan, en nu onze derde gedachte:

3. De troost van die verhoging

Want vraag 52 zegt: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Het antwoord zegt: Dat ik in alle droefenis en vervolging met een opgericht hoofd even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

De troost van de wederkomst van Christus. Maar we gaan eerst samen zingen over de bewarende macht van Christus in de hemel, uit Psalm 17, het vierde vers: Maak Uwe weldaden wonderbaar, Gij, Die Uw kinderen wilt behoeden Voor 's vijands macht en vreselijk woeden, En hen beschermt in 't grootst gevaar. Wil mij Uw bijstand niet onttrekken; Uw zorg bewaak' mij van omhoog; Bewaar m' als d' appel van het oog; Wil mij met Uwe vleugelen dekken.

Gemeente, de wederkomst, de terugkomst van de Heere Jezus Christus is de laatste traptrede, de laatste trede van Zijn verhoging. De Heere Jezus heeft er Zelf over gesproken in Mattheüs 24: Alsdan (op die bijzondere dag) zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen, en dan zullen al de geslachten der aarde wenen (huilen) en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht (dan zie je Zijn koninklijke kracht) en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste ervan.

De grote dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus, daar moet je vast weleens aan denken, jongens en meisjes, ’s avonds, als je stilletjes in je bed ligt. Aan die grote dag, waarop de wolken weggerold zullen worden, aan die dag waarop het geluid van de grote bazuin klinken zal: de grote dag van het oordeel, de grote dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus.

Wanneer het zal zijn? Niemand weet het. We weten alleen dat het onverwachts zal zijn.

Als een dief in de nacht (2 Petrus 3:10)! Niet op gerekend! Kan je je er dan wel op voorbereiden? Ja, dat wel. Je kan gewoon rustig afwachten. Maar dat zou ik niet doen. Dat is heel onverstandig.

Hoe moet je je dan wel voorbereiden? Door de Heere te zoeken. Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jesaja 55:6). Wacht daar niet mee! Want Hij zal eerder komen dan je denkt.

Je zegt: ‘Maar als ik daaraan denk, dan word ik een beetje bang. Dat vind ik naar. Want hoe zal dat zijn?’ De Bijbel zegt dat iedereen geoordeeld zal worden. Johannes schrijft in zijn Openbaring: Ik zag de doden staan, klein en groot (belangrijk, onbelangrijk, rijk, arm, volwassenen, kinderen) en de boeken werden geopend (Openbaring 20:12). En iedereen, zo schrijft Johannes, werd geoordeeld naar wat in die boeken geschreven was, naar dat hij of zij gedaan had, hetzij goed of hetzij kwaad. Alles wat nu verborgen is, zal dan openbaar worden. En alles wat jij allang vergeten bent, zal je je dan ineens weer herinneren! Voor heel veel mensen een gedachte om van te schrikken. Iets waar heel veel mensen, ook in de kerk, nooit aan denken, nooit aan willen denken. Maar dat is onverstandig.

De wederkomst is ook een dag waar veel van Gods kinderen niet over nadenken. En dat zou anders moeten zijn. Want de leerling van de Catechismus zegt: de gedachte aan die grote dag van de terugkomst troost mij! Ik verwacht die dag, ik zie ernaar uit. Want? Want het leven op aarde is voor een kind van God niet zo gemakkelijk. Het leven (de Catechismus is ook geschreven in een tijd van vervolging) is vol van droefenis (verdriet), tranen en vervolging, zoals het ook nu nog op heel veel plaatsen op deze wereld is. Wat ons betreft: wij hebben het als christenen maar gemakkelijk. Wij worden niet vervolgd, wij worden ons huis niet uitgezet, onze huizen worden niet in brand gestoken, wij worden niet in de gevangenis gestopt, wij worden niet gekruisigd, wij worden niet onthoofd, wij worden niet gemarteld. Juist omdat we het zo gemakkelijk hebben, is er zo veel mis in de kerk in Nederland. Omdat we niet vooruitdenken aan die grote dag, omdat we alleen maar bezig zijn met de dingen van nu. Daar word je hoogmoedig van, je gaat jezelf met anderen vergelijken, je gaat jezelf beter vinden dan anderen. Rust drijft ons al ruziemakend in de armen van elkaar.

Maar onze belijdenis zegt: vervolging en verdriet drijft de kerk in de handen van de verhoogde Christus. In alle vervolging, in alle droefheid en verdriet trekt de gedachte aan de terugkomst van de Heere Christus mijn hart en hoofd omhoog! Want: Hij, mijn lieve Heere en Meester komt!

Ja, er zijn heel veel mensen die zeggen, dat Hij vast nooit meer terugkomt. Ze zeggen: het duurt veel te lang. Hij komt heus nooit meer terug. Maar Hij komt! We weten het en we geloven het van harte. Op Zijn tijd zal Hij komen. Dan zal de bazuin klinken en dan zal ineens de hemel opengaan en dan: ’Dan zullen we Hem zien!’ Wie? Dat staat hier in de Catechismus: Hem, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft. Christus, onze Heere en Zaligmaker. Hem zullen we zien!

Ooit was er een tijd, dat we Hem niet kenden. Ooit was er een tijd, dat we Hem niet nodig hadden. We hadden genoeg aan onszelf. Maar toen werd het anders. Toen die verhoogde Koning ons hart ging innemen en Zijn troon daar ging oprichten. Toen zagen we wat eisen Gods heiligheid deed, toen werden al onze deugden een wegwerpelijk kleed. Toen kregen we Hem nodig. Toen gingen we Hem zoeken. Toen heeft Hij ons gevonden. Toen leerden we Hem kennen. De een wat meer dan de ander. Maar voor ieder van Gods kinderen gold en geldt: Hij (Christus) is ons alles geworden. Christus, Die ons leven is (Kolossenzen 3:4)!

Straks komt er een ondeelbaar ogenblik waarop de hemel open zal gaan en dan zullen we Hem zien. En het zien van Hem zal alle schrik en vrees in ons leven, kinderen van God, ogenblikkelijk laten verdwijnen. Want we zullen Hem zien, en kennen, en herkennen.

En dat laatste zal onze schrik (want iedereen zal schrikken) veranderen in blijdschap. We zullen het zien: Hij is het, Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, Die Zich tevoren (in het verleden) voor ons in het gericht van God gesteld heeft. Hij stierf voor mij, Hij stierf voor ons aan het kruis. Hij, onze Heere en Meester. Hij komt! En de gedachte daaraan is hier op de aarde voor ons (niet alleen straks), maar juist in tijden van pijn en verdriet, vervolging en verdrukking een onuitsprekelijke troost.

Hij zal, zegt de Catechismus, verschijnen als Rechter. In een punt des tijds, in een ogenblik, in het knipperen van een oog zal ineens alles anders worden. Want Hij was Redder, Heiland, Voorspreker, Advocaat in de hemel en nu ineens is Hij Rechter. En die hemelse Rechter zal al die miljarden mensen (klein en groot) verdelen in twee groepen.

Zoals staat in Mattheüs 25: Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn

rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden (gegevenen) van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld (Mattheüs 25:33, 34). Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is (Mattheüs 25:41).

Twee soorten van levens op de aarde eindigen uiteindelijk in twee soorten van eindbestemming. Aan welke kant komt u dan te staan? Aan welke kant staan jullie, jongelui, in die grote dag?

De Catechismus zegt: we verwachten Hem als Rechter uit de hemel en dan zal Hij al Zijn en mijn vijanden (verschrikkelijke gedachte!) in de eeuwige verdoemenis werpen. Klinkt dat niet een beetje al te wraakzuchtig? Klinkt dit niet een beetje als hoop op persoonlijke vergelding, zo van: mensen, wacht maar, jullie krijgen straks jullie portie nog wel bij de oordeelsdag? Nee, zo niet. De volgorde is ook heel bewust: het zijn Zijn vijanden en omdat Hij mijn Koning is, daarom zijn het ook mijn vijanden.

Waarom zijn ze mijn vijanden? Omdat ze mijn Koning niet erkennen. Omdat ze Hem de eer en heerlijkheid niet willen geven. En daarom zullen zij, die aan de linkerkant staan, geworpen worden, zegt de Bijbel, in de poel des vuurs. Een beeld van uiterste pijniging, wroeging en blijvende haat tegen God en elkaar en van het dragen van de ondragelijke last van de toorn van de Almachtige.

Nee, als u daar nu aan denkt, duw dan de gedachte daaraan niet weg! Dit wordt uw eindbestemming als u leeft en sterft zonder Christus. Nooit zult u dan meer zeggen (wat u nu zo vaak zegt), u zult het nooit meer over uw lippen krijgen: ‘Ik kon er niks aan doen. Een mens kan toch niks?’ U zult het nooit meer zeggen! Die woorden zullen verstikken in uw keel. U zult altijd zeggen en er nooit meer mee ophouden: ‘Had ik mijn tijd op de aarde maar gebruikt om de Heere te zoeken. Had ik het vriendelijke aanbod van Gods genade maar aangenomen, maar ik wilde niet.’

Maar de anderen, en daar gaat het hier eigenlijk vooral om, staan aan de rechterkant. Hij, Christus, zal mij (staat er) met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid. Je proeft de blijde troost en verwachting in deze woorden. En je voelt tegelijkertijd hoe persoonlijk het is. Het gaat over mij. Hij zal mij tot Zich nemen. Het is een persoonlijke troost, een persoonlijke hoop en een persoonlijk verlangen. Hij zal mij tot Zich nemen samen met alle andere uitverkorenen. Heel bewust is hier dat woordje gekozen: uitverkorenen. De uitverkorenen, dat zijn die mensen, die God in de eeuwigheid heeft uitverkoren. Want we zullen op die dag nooit kunnen en willen

terugdenken aan iets wat we zelf gepresteerd zouden hebben, aan iets van onze eigen inspanning. Maar we zullen zingen, vanaf die dag af en voor altijd: ‘Het was door U, door U alleen om het eeuwige welbehagen. U alleen de eer, o grote God, vanwege Uw plan van de zaligheid, vanwege Uw verkiezende liefde en genade, vanwege Uw vrije gunst en vanwege de Gift van Uw Eniggeliefde Zoon.’ En we zullen horen (wat zal dat toch een blijde dag zijn voor Gods kinderen!) uit de mond van Christus, Die we kennen en herkennen zullen: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld (Mattheüs 25:34).

Hier op aarde, heb ik misschien wel een moeilijk leven gehad, heb ik veel gestreden in mijn hart tegen de zonde, tegen de wereld, tegen het oude deel van mijn eigen hart. Vaak heb ik in stilte gezucht, misschien wel zonder dat iemand het zag. Tranen heb ik gehuild van verdriet over mijn zonden tegen God. Tranen van heimwee, van gemis, van verlangen. Pijn om alles wat me in de wereld overkwam: veracht, verdrukt, benauwd, gelasterd. Het is ook zoals onze Heere het gezegd heeft: In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen!

En dan… straks? Nee hier al, zegt de Catechismus, met een opgericht hoofd Hem verwachten. De belofte dat Hij komen zal en ons tot Zich nemen zal in heerlijkheid, die belofte maakt het in ons binnenste al waar, dat woord maakt het al echt, maakt het al werkelijkheid, in ons verlangen, in onze hoop en in ons hart. Dan zal Hij onze druk verwisselen in geluk. En daarom: hoop op God, nu, en sla nu het oog naar boven, kinderen van God! Want we zullen, hoe donker ooit Gods weg moog´ wezen, Zijn Naam eeuwig loven.

Hoewel, jongens en meisjes, altijd (echt altijd!) als we denken aan die hele bijzondere dag dat de Heere al Zijn kinderen opnemen zal in Zijn heerlijkheid, altijd als we daarnaar verlangen en met een glimlach in onze gedachten daaraan denken, knaagt er iets vanbinnen. Wat dan? Nou dit: Als we daaraan denken, dat we daar met z’n allen staan, met onze gezinnen, met onze families, maar ook als gemeente, samen met de ouderlingen en diakenen, dan is er altijd de gedachte (hoewel we zo kunnen uitzien en verlangen, naar die dag waarop onze Heere eerlijk en rechtvaardig oordelen zal), dan knaagt altijd de gedachte aan ons dat er sommigen van ons buiten zullen staan, dat sommigen van ons weggezonden zullen worden. Dat de Heere tegen hen zal zeggen: ‘Gaat weg van Mij.’

Ik vind dat een gedachte om echt van te huilen. Dat er straks van ons aan de linkerhand zullen staan. Nu voelen we die knagende pijn nog, o, gemeente van [plaatsnaam], als we bidden en worstelen om de bekering van uw zielen. Maar dan niet meer. Dus roep ik u nogmaals op, in alle liefde en ernst: haast u toch omwille van uw leven!

Want die dag is dichterbij dan dat u denkt. Wendt U (nu nog) naar Mij (naar God) toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! (Jesaja 45:22). De goddeloze (u die een dubbelleven leidt) verlate zijn weg, en de ongerechtige man (of vrouw) zijn gedachten; en hij bekere zich tot de HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onze God, want (zo is God) Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jesaja 55:7).

Hier knaagt die gedachte aan ons van de grote scheiding, maar dan (en dat is ook werkelijkheid) zullen banden van liefde (ook bloedbanden) doorgesneden zijn. Dan zullen zelfs Gods kinderen bij het aanhoren van dat rechtvaardige oordeel over degenen die aan de linkerhand staan, zij zullen zeggen, ja, wij zullen zeggen: ‘U hebt gelijk, Heere. U bent rechtvaardig, o, heilige en rechtvaardige Rechter.’

Maar ik vraag u nog een keer: moet het echt zo ver komen, dat u aan die kant zult staan? Bekeer u toch! Bekeer u toch, want waarom zou u sterven en verloren gaan?

En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! Kom haastig, o Heere Jezus Christus, kom terug! En die het hoort (Gods kind hier op de aarde), zegge: Kom! Komt u toch ook, nu het nog kan, nu het nog tijd is! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openbaring 22:17). Voordat het te laat is.

Kinderen van God onder ons, hef uw hoofden opwaarts. Onze verlossing is aanstaande! Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. (Hebreeën 10:37). Onze Heere komt! En Hij zal onze druk verwisselen in geluk. Hoop dan op God, sla het oog naar boven, want wij zullen Zijn Naam eeuwig loven.

Amen.

Slotzang is Psalm 98:4:

Laat al de stromen vrolijk zingen, De handen klappen naar omhoog; 't Gebergte vol van vreugde springen En huppelen voor des HEEREN oog: Hij komt, Hij komt, om d' aard' te richten, De wereld in gerechtigheid; Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten, Wordt in rechtmatigheid geleid.