PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 32: Heiligmaking en vernieuwing (serie 1)

Zondag 32 · 21 augustus 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 32 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 32 van de Heidelbergse Catechismus opent het derde deel: de dankbaarheid. Verlossing door het bloed van Christus is maar de helft van Gods werk — de andere helft is de vernieuwing van hart en leven door de Heilige Geest. Wie waarlijk verlost is, wordt ook vernieuwd naar het evenbeeld van Christus. Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Goede werken verdienen de zaligheid niet, maar zijn de onmisbare vrucht van het geloof en de dankbare roeping van Gods kinderen.

THEMA

Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien

KERNPUNTEN

  1. Moet het echt, goede werken doen?
  2. Kan het echt niet zo zijn, dat je als kind van God in de zonde blijft leven?

ZONDAG 32

Vraag 86: Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijn Heiligen Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen Godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

Vraag 87: Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?
In generlei wijze; want de Schrift zegt, dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het rijk Gods beërven zal.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 32: Heiligmaking en vernieuwing (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 32

THEMA

Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien

LITURGIE

Psalm 36:2

Tien Geboden: 2

Lezen Jakobus 2:14-26

Psalm 116:4, 5, 8, 9

Tien Geboden 9

Psalm 36:3

Jongens en meisjes, deel 2 van het boek van de Catechismus is uit. Je weet het vast nog wel: de Heidelbergse Catechismus is een boek met drie hoofdstukken. Drie stukken zijn nodig om te weten, om te kennen, om bevindelijk te kennen met je hart, zo zei antwoord 2 van Zondag 1: a. Als eerste: Hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Daarover ging het hoofdstuk van de ellende. b. Als tweede: Hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt. Daarover ging hoofdstuk 2 van de verlossing. Dat hoofdstuk is nu uit. c. En als derde: hoe ik de Heere God voor die verlossing zal dankbaar zijn. Daarover gaat nu het derde hoofdstuk. Het hoofdstuk van de dankbaarheid, dat begint in Zondag 32. We gaan Zondag 32, met de vragen en antwoorden 86 en 87 nu eerst samen lezen:

Vraag 86. Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen? Antwoord. Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijn Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden. (Eigenlijk is dit het antwoord op de vraag: moet het echt, goede werken doen?)

Vraag 87. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren? Antwoord. In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Rijk Gods beërven zal. (Eigenlijk is dit het antwoord op de vraag: kan het echt niet, kan een kind van God echt niet in de zonde blijven leven?)

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is (en dat is een citaat uit Hebreeën 12:14): Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien.

De twee vragen 86 en 87 zorgen voor de twee aandachtspunten voor de preek van vanmiddag:

1. Moet het echt, goede werken doen?

Op die vraag gaan we uitgebreid in, naar aanleiding van vraag en antwoord 86. 2. Kan het echt niet, in de zonde blijven leven? Op die vraag ga ik slechts kort in, aan het einde van de preek, naar aanleiding van vraag en antwoord 87.

Als eerste dus:

1. Moet het echt, goede werken doen?

Je denkt misschien bij jezelf: het hoofdstuk over de dankbaarheid, dat begint wel een beetje moeilijk, een beetje saai, en het lijkt ook een beetje theoretisch. Maar, dat is niet zo. Je moet het eens goed lezen en goed tot je door laten dringen. Dat zie je dat het anders is. Ik kan beter zeggen: dit moet je eigenlijk zingen. Want vraag 86 is al een danklied van zichzelf. Hier zingt een kind van God: ‘wij zijn uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost!’ Wat ben je dan gelukkig! Als je dat kan zeggen: ‘ik ben uit al mijn ellende verlost!

En als je dat zegt, dan zeg je dat andere er ook bij: niet ons, o Heere, niet ons, want U hebt het gedaan (Psalm 115:1). U hebt ons verlost, niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door het dierbare bloed van de Heere Jezus Christus (1 Petr. 1:18). Alle roem is uitgesloten. Onverdiende zaligheden hebben wij van onze God genoten. We roemen in vrije gunst alleen. We hebben niets om trots op te zijn. Het is allemaal genade. Kijk maar, dat staat er wel drie keer: (a) zonder enige verdienste van onze kant (want onze werken verdienen niets), (b) alleen uit genade (want we hebben alles uit genade gekregen) en (c) door Christus (want het is niet door ons)!

Zo begint ook antwoord 86: Christus heeft ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt. Je zegt: ‘nou, als je dat weet, dan ben je klaar. Dan ben je er toch? Dan weet je dat je straks naar de hemel mag! Als je dat op huisbezoek kan vertellen, als je dat als ambtsdragers hoort, dan ben je toch klaar? Dan kan je als broeders blij naar huis gaan.’ Nou, als het goed is, nog niet… Want ik zou zeggen: en verder?

Iemand zegt: ‘Ja, maar een mens blijft een mens. Ik ben en blijf nu eenmaal wie ik ben: een zondaar.’ Een ander zegt: ‘Ja, maar een mens kan nu eenmaal niks goeds doen.’ En een derde zegt: ‘Maar wij zijn toch vrij? Wij zijn vrij van de wet. Dus: geniet van de vrijheid!’

Maar toch klopt dat allemaal niet. Als je tenminste goed leest in de Bijbel. Want de verlossing door het bloed van Christus, de vergeving van zonden, dat is maar de helft van het werk van God. Want Gods werk heeft twee delen: verlossing en vernieuwing.

Een kind van God krijgt niet alleen een levend hart, maar ook een nieuw hart, een gehoorzaam hart, een hart met een nieuwe gehoorzaamheid. Want zo schrijft Ezechiël op uit de mond van de Heere: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u (dat wil zeggen: de Heilige Geest zal in u komen wonen), en Ik zal maken dat u in Mijn inzettingen (in Mijn geboden) zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen (36:27). Dus God de Heilige Geest doet twee dingen: verlossen en vernieuwen. Hij maakt ook nieuw, Hij maakt gehoorzaam, zodat we de geboden van de Heere met heel de liefde van ons hart gaan doen.

De Catechismus zegt: Waarom moet een kind van God goede werken doen? De achterliggende gedachte is natuurlijk: goede werken verdienen toch helemaal niets? Door goede werken kunnen we toch niet zalig worden? Dat klopt helemaal. Maar daar is toch niet alles mee gezegd. Laten we luisteren naar het antwoord van de Catechismus: Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons (daarna dus!) ook door Zijn Heilige Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt. Dus: eerst heeft Hij ons gekocht en vrijgemaakt van de zonde. En daarna, is het klaar? Nee, daarna komt de andere helft van het werk van God: het vernieuwen van het hart, het heilig maken van het hart en het leven.

En, als je die tweede helft nu niet hebt? Als je wel genade kent, maar geen nieuw leven? Nou, dat kan eigenlijk niet. Want als je echt een nieuw hart hebt, dan wordt ook echt alles nieuw. Het één kan echt niet zonder het ander. Dat schrijft de apostel ook in de Hebreeënbrief: Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal (12:14). Zonder heiligmaking, zonder vernieuwing van hart en leven, zonder een nieuwe gehoorzaamheid, komt geen mens in de hemel. Trouwens, dat laatste (dat: in de hemel komen) was ook niet het belangrijkste doel van de Heere. De Heere Jezus kwam niet in de eerste plaats naar de aarde om mensen in de hemel te brengen. Maar Hij kwam in de eerste plaats op aarde om Zijn Vader te verheerlijken en om de werken van de duivel te verbreken (Johannes 17:4, 1 Joh. 3:8).

Gods kinderen worden geroepen tot een nieuw leven. Denk maar aan wat Paulus schrijft in Romeinen 12: Stel uw lichamen tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt aan deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij (12:1, 2). Want, zo schrijft diezelfde apostel aan de gemeente van Korinthe: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn (1 Korinthe 6:20; zie ook 1 Petrus 2:5,9). En, zo schrijft hij aan Titus: Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid (dat is het eerste), en Zichzelf een Eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken (en dat is het tweede deel van Zijn werk!) (Titus 2:14).

Je zegt: wat gebeurt er dan, als God het hart van Zijn kinderen (en uit het hart komt alles, dus: ook het leven van Zijn kinderen) nieuw maakt? De Catechismus zegt: dan wordt een kind van God tot Zijn evenbeeld vernieuwd. Dan wordt je nieuw gemaakt naar het evenbeeld, naar het beeld van Christus. Dan ga je dus lijken op de Heere Jezus Christus. Daar gaat het hier over: een oprecht christen, een kind van God lijkt (als het goed is) op Christus!

We zeggen: dan ga je als kind van God ‘Zijn beeld vertonen’. Dan ga je op Hem lijken. Hoe gaat je leven er dan uitzien? Net als Zijn leven. Hoe was Hij dan? Hoe was Zijn leven? Hij, de Heere Jezus, was nederig. Hij was wars van alle hoogmoed en trots. Hij waste de voeten van Zijn discipelen (Johannes 13:5). Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen (Filippenzen 2:8). Dan word je ook zelf, door Gods vernieuwende werk (want dat is geen eigen prestatie) nederig, dan word je iemand die buigt voor God en voor andere mensen.

Hoe was het leven van de Heere Jezus? De Heere Jezus was ook bewogen met zondaars. Hij was oneindig veel beter dan wie dan ook, maar Hij stootte hen niet af. Dan krijg je ook zelf, als kind van God, liefde tot zondaars. Dan wijs je niet naar een ander, omdat je hem of haar zo slecht vindt. Maar dan zoek je het behoud van je naaste.

Hoe was het leven van de Heere Jezus? De Heere Jezus had zelfs Zijn vijanden lief. Als dat je redding geworden is, dan gaat er toch ook echt iets veranderen in je eigen levenshouding. Dan luister je ineens anders naar de opdracht van de Heere Jezus: Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen die u haten (Lukas 6:27). En, zo was de Heere Jezus ook: als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug, en als Hij leed, dan dreigde Hij niet (1 Petrus 2:23).

Als de Heere werkt in je hart, dan ga je (stap voor stap, het blijft altijd ten dele, en het is geen eigen werk!), op de Heere Jezus lijken.

En dat is genade. Dat is het vernieuwende werk van God de Heilige Geest. Maar het is ook de plicht van Gods kinderen. Paulus zegt het ook als een opdracht in Filippenzen 2. Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (2:5). Met andere woorden: zo moet u ook worden, zoals de Heere Jezus was! En Johannes schrijft in zijn zendbrief: Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij (dat is de Heere Jezus) Zijn leven voor ons gesteld heeft. En (en dan komt het) wij zijn schuldig(!) voor de broeders het leven te stellen (1 Johannes 3:16, 4:11). Wij zijn schuldig, wij moeten dat doen. Dat zegt de Catechismus ook: Gods kinderen moeten goede werken doen. En zo schijft Paulus het ook aan de gemeente van Efeze: Leg af de oude mens en wordt vernieuwd in de geest van uw gemoed. En doe de nieuwe mens aan, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (4:22-24). Met andere woorden: het is plicht. Het is de plicht van verloste kinderen. Het is kinderplicht. Gods kinderen zijn geroepen tot heiligmaking (1 Thessalonicenzen 4:7).

Het is een plicht, die ons aan de voeten van Christus moet brengen. Want in eigen kracht kunnen we het niet; het wil niet, het lukt niet! Nooit kan een kind van God met gevoel van trots en tevredenheid zeggen: ‘Kijk, ik heb mijn leven al behoorlijk verbeterd, ik ben al een aardig eindje op weg.’ Nee, we moeten zuchten met het Gebed des Heeren (vers 6): de boosheid kleeft ons altijd aan. Het goede dat we willen, dat doen we niet (Romeinen 7:19). Want het verkeerde van de zonde kleeft, plakt aan ons. We kunnen het niet kwijtraken, we kunnen er maar niet van loskomen. Daarom zingen we ook vaak na de voorlezing van de Wet van de Heere: Gun door het geloof in Christus (de bron, de oorsprong en de drijvende kracht van de vernieuwing ligt in Hem), gun door het geloof in Christus aan ons de krachten om die te doen uit dankbaarheid.

De Heilige Geest vernieuwt Gods kinderen zodat ze op Hem, op Christus gaan lijken. Waarom doet de Heere dat eigenlijk? Om een aantal redenen. Uiteindelijk noemt de Catechismus er vier.

a. De eerste reden die de Catechismus noemt is: Opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen. Dat is een lastige zin, die je goed moet lezen. Er staat niet: dat ik aan God dankbaar-heid zal bewijzen. Er staat ook niet: ik zal het (die dankbaarheid) wel bewijzen! Ik zal het wel eens laten zien! Dat zou een beetje voelen als: hoe vrijmoediger je halleluja, lof en dank roept, hoe beter je presteert, hoe meer bewijs je levert van je dankbaarheid. Maar dat is niet de bedoeling.

Er staat: we bewijzen ons, met heel ons leven, voor God dankbaar. Dat wil eigenlijk zeggen: ons hele leven (altijd, en in alle delen en aspecten) moet een offer zijn: één dankoffer voor God! Ons leven een dankoffer. Dat doet denken aan wat Paulus schrijft in Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst (12:1).

Mijn leven een dankoffer voor God. Wat doe je eigenlijk met een offer? Dat steek je aan, dat verbrand je. Dus: de brand erin, in je eigen wil, in je eigen verlangens en zondige begeertes!

En dus, word je dan iets? Omdat je overal rondloopt als een mens die zo dankbaar is? Nee, het tegenovergestelde is waar. Dan raak je van alles en nog wat kwijt. Uit dank (voor al die weldaden die je van de Heere hebt ontvangen) gaat de brand in je oude leven. Dat oude leven gaat in rook op. Zoals het offer in rook opgaat: ‘Heere, hier gaat mijn oude, zondige leven. En: nu is heel mijn leven voor U!’ Een offer van dank, door de kracht van de Heere Jezus Christus.

Daar gaan we eerst van zingen uit de berijmde Tien Geboden, het bekende negende vers. Gun, door het geloof in Christus(!), krachten om die te doen uit dankbaarheid. Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.

Waarom moeten Gods kinderen goede werken doen? Wat is het doel van de Heere bij de vernieuwing van ons hart? Vier redenen noemt de Catechismus, waarvan we er één hebben gezien: Opdat we ons met heel ons leven God dankbaar bewijzen.

b. En (nu komt de tweede reden): Opdat Hij door ons geprezen worde. God moet geprezen worden door…? Door onze woorden, door ons vrijmoedig getuigen? Nee, hier staat: door vruchten, door goede werken.

Je mag dat, jongens en meisjes, best wel eens aan een kind van God vragen: ‘Wilt u mij eens zeggen, welke goede werken doet u allemaal?’ Dat mag je best vragen, maar waarschijnlijk krijg je geen lange lijst van goede werken te horen. Ik denk dat je een voorzichtig antwoord krijgt. Misschien een antwoord als: ‘Ja, jongen of meisje, ik wil wel goede werken doen, maar ik doe nog zoveel zonde (Romeinen 7:18-21).’

Is dat een verkeerd antwoord? Is dat een verkeerde levenshouding? Je zegt: ‘je mag daar toch over vertellen, hoe anders je geworden bent dan vroeger, en hoeveel goede werken je tegenwoordig doet?’

Toch dacht de Heere Jezus toen Hij op aarde was daar anders over. Dat bleek toen Hij vertelde (in Mattheüs 25:34-40) over de komende dag van het oordeel. Dan zal de Heere zeggen: ‘kom binnen, gezegenden Mijns Vaders, Mijn kinderen, want Ik ben hongerig geweest, en toen hebt u Mij te eten gegeven. Ik was dorstig, en u hebt Mij te drinken te geven. Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij onderdak geboden. Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed.’ En dan de reactie: ‘Eh, Heere, maar wanneer hebben wij dat dan gedaan? En waar?’

Hoe komt dat? Dat komt omdat onze goede werken niet tot meerdere eer en glorie van onszelf zijn, maar gericht zijn op God: opdat Hij geprezen worde! En wij voelen ons daarin vaak zo tekortschieten. In dat ‘hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt’ (Johannes 15:8). In dat: ‘en als zij uw goede werken zien, dan zal God verheerlijkt worden’ (1 Petrus 2:12).

c. Er is nog een derde doel van dat vruchten dragen. De eerste twee die de Catechismus noemt, zijn heel nadrukkelijk op God gericht, maar in het derde en vierde doel is ook zegen voor ons mensen. Dit is het derde doel: Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij. Je zegt: ‘hoe werkt dat?’ Als een kind van God kijkt naar zijn leven, kijkt naar zijn levensboom, zegt hij dan vrijmoedig: ‘kijk eens, wat een vruchten, zeg! Zo mooi, zoveel! Nou, nu ben ik wel heel erg zeker van mijn geloof?’ Nee, dat past eigenlijk niet bij wat Paulus in de Bijbel zegt, als hij kijkt naar zijn leven, naar zijn levensboom. Als hij dat doet, dan zegt hij: ik ben een ellendig mens (Romeinen 7:24). En als de discipelen aan de paasmaaltijd aanzitten, hebben ze ook geen oog voor de vruchten van hun leven, maar zeggen ze eerlijk: Heere, ik ben toch niet de verrader (Mattheüs 26:22)?

Als je dit in de Catechismus leest, dan vraag je jezelf af: hoe werkt dat dan? Hoe krijgt een kind van God meer zekerheid? Laat ik eerst zeggen, hoe je die zekerheid niet krijgt. Je krijgt die niet (dat zagen we net) door wat je ziet bij jezelf. Als je naar jezelf kijkt, dan moet je met David zeggen: was mij wel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonden (Psalm 51:4). Je krijgt die zekerheid in ieder geval ook niet door wat je zegt. Je geloof wordt niet zekerder door een mooi verhaal, door een mooi bekeringsverhaal, en ook niet door

vrijmoedig te getuigen. Want Paulus zegt in 1 Korinthe 4: het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20). Hoe krijg je als kind van God dan wel meer zekerheid? Dat staat hier in de Catechismus: je krijgt als kind van God in het leven van het geloof meer vastheid door (dat staat hier): de vernieuwing naar het beeld van Christus. Door de vruchten van het nieuwe leven. De Catechismus bedoeld te zeggen: die twee gaan altijd hand in hand: vrucht dragen (leven voor Gods aangezicht, dicht bij de Heere en ver van de zonde) en: meer zekerheid in het geloof.

Wie als kind van God slordig leeft, wie als kind van God in de zonde leeft (‘ik ben nu eenmaal zo’), wie slordig is in het lezen van de Bijbel en in het verborgen gebed, wie zich laat leiden door de hoogmoed en de begeerlijkheid van zijn eigen hart, en wie niet gericht is op God en op de komende dag van de eeuwigheid, die is zelf de oorzaak van veel onzekerheid en vertwijfeling. Daar moeten we niet de Heere de schuld van geven, en wij moeten ons daarbij zeker ook niet direct verschuilen achter de vrijmacht en de soevereiniteit van God. Zonde en twijfel zijn tweelingen.

Maar wie als kind van God nauw leeft in het dienen van de Heere, in het liefhebben van de naaste (wie het ook is), in nederig, ootmoedig wandelen met God, in gericht zijn op God en op de hemel, die wil de Heere in die weg (door Gods genade en door Zijn werk) meer zekerheid en vastheid geven in het leven der genade. Met andere woorden: een godzalig leven en zekerheid, dat zijn ook tweelingen. Want de zonde verbreekt de band met God. De zonde bedroeft de Heilige Geest, Die juist (zo zegt Paulus tegen de gemeente van Efeze) verzegelt tot de dag der verlossing (4:30). En de zonde geeft ruimte aan satan, die het werk van God in twijfel trekt.

Dus: hebt u gebrek aan zekerheid? Onderzoek dan uw leven. Leef ik wel dicht bij de Schrift? Ken ik wel een biddend leven? Zijn er toch niet bepaalde zonden die ik koester met een verkeerd excuus? De zonde van kwaadspreken, de zonde van hoogmoed, de zonde van partijvorming, de zonde van verkeerde begeerten?

Maar anderzijds, in de weg van leven met de Heere en van wandelen in het spoor van Zijn geboden, in liefde tot Hem en tot de naasten, in de weg van het wandelen in de Geest, in de vrucht des Geestes (liefde, blijdschap, vrede, geduld, geloof, zachtmoedigheid, matigheid), in de weg van het kruisigen van het vlees, in die weg wil God zondermeer meer vastheid en zekerheid doen ervaren (Galaten 5:22, 24). Wie zo leeft, wie zo wandelt, die mag wandelen in het licht des levens. Ik denk aan het woord van Jesaja: Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN (2:5). Want: in dat licht, zien wij het licht (Psalm 36:10). Dat licht doet het donker opklaren, en geeft ons meer vastheid en zekerheid (Psalm 119:105). Wie zo wandelt, in het spoor van Gods geboden, in het licht des Heeren, die kan en mag

dat licht ook weer doorspiegelen, weerkaatsen, en daarmee (met dat licht) op anderen schijnen. d. En dat is het vierde doel van de goede werken, wat de Catechismus aanreikt: Onze naasten winnen voor Christus. Het is duidelijk: niet voor ons, maar voor Hem. Hoe worden onze naasten gewonnen voor Christus? Door overal vrijmoedig te getuigen en over Jezus te vertellen? Hoe ging dat vroeger eigenlijk, in de eerste christenengemeente? Hoe werden toen mensen voor Christus gewonnen?

Iedereen kende haar, in Joppe: Tabitha. Want ze vertelde zoveel over…? Nee, in Handelingen 9 staat: zij was vol van goede werken en aalmoezen die zij deed (9:36). Zij zorgde voor armen, zieken en weduwen. En dat maakte haar bekend als een echte christin. Iedereen kende hem in Caesarea: de Romeinse beroepsmilitair Cornelius. Want? Hij deed vele aalmoezen aan het volk (hij gaf geld aan de armen), hij was een godzalig man, hij vreesde God en was een man van gebed (Handelingen 10:1, 2).

Je wint geen mens voor Christus met vrome praat. Zeker niet als je leven anders is. Als je zondags twee keer naar de kerk gaat, en tegen je collega’s zegt dat ze niet mogen vloeken, maar verder ben je niet veel anders dan zij. Je bent ook wel een beetje op de hoogte van de laatste voetbaluitslagen (hoewel je nooit in het stadion zit), en je houdt ook wel van een stevig potje drinken, en je houdt ook wel van een slecht verhaal of van een smerige grap. Maar nee, zondags: strak in het pak, gezicht in de plooi. Jakobus zegt: Toon mij uw geloof uit uw werken (2:18)! Je wint ook geen mens voor Christus met een slap verhaal in de trant van: ‘ik hou van Jezus, en Hij houdt ook van jou.’

Je naaste wordt voor Christus gewonnen met een leven van dank: gericht op God en vol van liefde voor de ander. Vol van onbaatzuchtige liefde, zonder eigenliefde, zoals Christus de zondaars (slecht als ze waren) liefhad. Je wint je naaste met zichtbare zorg voor en bewogenheid met armen, met verschoppelingen, met mensen die door anderen met de nek worden aangekeken, door bewogenheid met en zorg voor weduwen, vluchtelingen, andersdenkenden, moslims en ga zo maar door. Wie dat ziet, wie iets van Christus aan ons leven ziet (ja, want het is niet van onszelf, het is iets van Zijn beeld in ons, herschapen door de Heilige Geest) die wordt voor Hem gewonnen.

Dus mag onze bede wel zijn: O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk. Opdat ook in [woonplaats] meer mensen voor Christus gewonnen worden.

Maar… (en dat is nog kort ons tweede punt):

2. Kan het echt niet zo zijn, dat je als kind van God in de zonde blijft leven?

Vraag 87 vraagt: Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende (ze gaan daarin door), zich tot God niet bekeren? Het antwoord is: In generlei wijze (absoluut niet!), want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Rijk Gods beërven zal.

Eerst maar even wat er niet staat. Er staat niet dat zondaars niet zalig kunnen worden. De hemel is vol van geredde, gewassen en vernieuwde zondaars (Openbaring 1:5). En dit antwoord is ook niet bedoeld om zondaars (hier in de kerk) wanhopig en moedeloos te maken. U die leeft in vloeken, in het ontheiligen van de zondag, in haat en nijd, overspel, geroddel, leugen en bedrog, u kunt zalig worden! Verlaat de slechtigheden en leeft, en treedt in de weg des verstands (Spreuken 9:6). Bekeert u, want onze God vergeeft menigvuldig! (Jesaja 55:7) En wat hier staat, is ook niet bedoeld om de verslagen harten van de gelovigen kleinmoedig te maken, alsof er iemand zou zijn, die zonder enige zonde was (Avondmaalsformulier).

Maar dit is om u, kinderen van God, ernstig te waarschuwen. Dit is de boodschap van antwoord 87: Gebruik de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees (Galaten 5:13). Zeg niet: Laat ons in de zonde blijven, opdat de genade meer zal worden (Romeinen 6:1). Dit is de boodschap van antwoord 87: U kunt niet God dienen en de mammon (Mattheus 6:24; Zondag 24, antwoord 64). Indien u naar het vlees leeft, zo zult u sterven (Romeinen 8:13). Want de Landman verwacht de kostelijke vrucht van het land (Jakobus 5:7).

Hebt u een ernstig en oprecht verlangen om voor God te leven? Om te gaan in het spoor van Zijn geboden? Maar moet u dagelijks klagen over uw struikelen in velen (Jakobus 3:2)? Hoor dan tot uw troost, tot slot, wat onze belijdenis juist daarvan zegt (DL, V, art. 2): Dagelijks hebben wij te strijden tegen de zonden van onze zwakheid en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Maar dit geeft ons gestadige oorzaak (dat wil zeggen: voortdurende reden) om, om vier dingen te doen. Deze vier dingen: a. Om ons voor God te verootmoedigen. b. Om dagelijks onze toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen. c. Om het vlees hoe langer hoe meer te doden, door de Geest des gebeds en de heilige oefeningen van godvruchtigheid. d. En om naar het eindperk van de volmaaktheid te zuchten. Totdat wij (blijde dag!) van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren. Amen.

Slotzang Psalm 36:3:

Bij U, HEERE, is de levensbron; Uw licht doet, klaarder dan de zon, Ons 't heuglijk licht aanschouwen. Wees, die U kennen, mild en goed, En toon d' oprechten van gemoed Uw recht, waar z' op vertrouwen. Dat mij nooit trotse voet vertrapp', Noch boze hand in ballingschap Ellendig om doe zwerven. Daar zijn de werkers van het kwaad Gevallen in een jammerstaat, Waarin zij hulpeloos sterven.