PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 11: De Naam is Jezus, Zaligmaker (serie 2)

Zondag 11 · 29 december 2024

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 11 (serie 2)

INLEIDING

Zondag 11 gaat over de Naam Jezus: Zaligmaker van zondaars. Vanuit 1 Timotheüs 1, waar Paulus zichzelf de voornaamste der zondaren noemt, wordt getoond dat in Jezus zaligheid is — Hij verlost van de zonde, het grootste kwaad, als een volkomen Zaligmaker van verwerving én toepassing. Maar buiten Hem is geen zaligheid: wie zijn eigen werk of geloof naast Jezus wil leggen, verloochent Hem. Wie met niets komt, ontvangt alles — want deze Zaligmaker redt wie zichzelf niet redden kan.

THEMA

De Naam Jezus

KERNPUNTEN

  1. In Jezus is zaligheid
  2. Buiten Jezus is er geen zaligheid

ZONDAG 11

Vraag 29: Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is, Zaligmaker, genoemd?
Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Vraag 30: Geloven dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken?
Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen; want van tweeën één; òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 11: De Naam is Jezus, Zaligmaker (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 11

THEMA

De Naam Jezus

LITURGIE

Psalm 146:3,5

Psalm 146:6

Lezen 1 Timotheüs 1:12-20

Lofzang van Maria:1,5,6

Psalm 2:7

Psalm 116:5,7

Gemeente, jongelui, de vorige zondagen van de Catechismus gingen over God de Vader. Over: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Die niet alleen alle dingen geschapen heeft, maar ze ook nog steeds onderhoudt en regeert. Hij is om Christus’ wil een genadige Vader voor al Zijn kinderen. Die (wat er ook in ons leven gebeurt) oneindig veel beter voor ons zorgt dan de beste vader op de aarde voor zijn kinderen zorgen kan.

Vanmiddag gaat de catechismus verder met het volgende artikel van de Twaalf Artikelen: En ik geloof in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere. Vandaag maken we een begin met dit artikel, dat gaat over de Naam Jezus. Zijn Naam betekent Zaligmaker van zondaars.

Zoals we dat zojuist ook lazen in 1 Timotheüs 1. Pak dat Bijbelgedeelte er, als je wilt, nog even bij: 1 Timotheüs 1:12-15. Waar Paulus schrijft aan Timotheüs: En ik dank Hem Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijn ongelovigheid; Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

Eerst schetst Paulus in vers 13 en 14 zomaar met een paar pennenstreken zijn leven: de uiterste tegenstellingen van zonde en genade, van lastering en geloof, van smaad en liefde. Niet om daar zelf trots op te zijn, niet als een mooi verhaal om Timotheüs en anderen te imponeren. Maar die schets van zijn leven (vol tegenstellingen) is bedoeld als inleiding op het stellige vers dat volgt: Christus Jezus is gekomen om zondaren zalig te maken.

Hij zegt: zo was mijn vroegere leven. Kijk maar in vers 13: Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker. Ik was een ijveraar van de wet, ik voelde mij

verheven boven anderen. Ik was trots op mijn werken en dacht met mijn eigen gerechtigheid voor God te kunnen bestaan. Maar dat was godslastering. Maar (vers 13) mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijn ongelovigheid. Ik deed het onwetend. Dat is geen excuus, maar dat wil zeggen: ik deed het niet ‘willens en wetens’. Ik deed het niet bewust tegen het werk van de Heilige Geest in. Maar ik wist niet beter. Ja, wel met mijn verstand, maar mijn hart geloofde het nog niet. Mijn hart was nog in een staat van ongeloof. Ik leefde nog in duisternis. Ik was nog geestelijk blind.

Maar mij is barmhartigheid geschied. God heeft Zich over mij ontfermd. Met barmhartigheid. Barmhartigheid, dat is die eigenschap van God die nooit rust. Zijn hart brandt van bewogenheid met zondaars. Dat wordt niet opgewekt door ons, maar dat komt bij God Zelf vandaan. Vrije goedheid, die Hij niet geeft aan goede mensen, maar aan zondaars.

En, zegt Paulus, die barmhartigheid geschiedt, die vindt plaats. Mijn bekering is een krachtig ingrijpen van God geweest in mijn vroegere leven, vol van vijandschap tegen God. Gemeente, dit is de grondslag, dit is het fundament van de zaligheid: vrije goedheid en barmhartigheid bij God vandaan, voor zondaars.

Doch (vers 14) de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. Die onverdiende genade van de Heere gaf me: geloof in plaats van mijn vroegere onwetendheid. En: liefde in plaats van mijn vroegere haat. En die genade van God (zegt Paulus) is zeer overvloedig geweest, in Christus Jezus.

Maar dat alles was nog maar inleiding, op wat daarna komt in vers 15: Dit is een getrouw (een betrouwbaar) woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Christus Jezus is in de wereld gekomen. Hij werd geboren in Bethlehem. Hij werd gelegd in een kribbe. Hij is arm geworden, hoewel Hij rijk was, om arme zondaars rijk te maken. Zijn weg was een weg van de kribbe naar het kruis. Waar Hij beschuldigd en veroordeeld werd als was Hij een godslasteraar. Waarom Hij de vervloekte dood aan het kruis moest sterven.

Om? Om de zondaars zalig te maken! En dat Woord, zegt Paulus, dat is zo waar, dat is zo betrouwbaar, dat het waard is om ter harte te nemen. Het is: alle aanneming waard. Daaraan mogen zondaars zich vastklemmen.

Welke zondaars? Paulus zegt: zondaars zoals ik. Van welke ik de voornaamste was? Vroeger? Nee, van welke ik de voornaamste ben. En, gemeente, dat leert ons twee dingen.

a. Dat leert ons als eerste, dat een christen nooit de hoogte in mag groeien. Want hoe verder ik op de weg van de genade mag komen, hoe meer ik ga zien wie ik was (ja, ook dat), maar vooral ook wie ik ben en blijf. Arme zondaar…

b. En dat leert ons als tweede, dat juist daardoor Christus, de Zaligmaker van zondaars, meer dan ooit groot wordt. Omdat ik in die weg meer dan ooit ga zien, dat de genade van onze Heere zeer overvloedig is geweest, tot op de dag van vandaag. De genade van (kijk maar in vers 14): gekregen geloof, in plaats van mijn hardnekkige twijfel en ongeloof. En de genade van: geschonken liefde, in plaats van mijn ontrouw en liefdeloosheid.

Dat gaan we vanmiddag ook zien in Zondag 11 van de Catechismus. De Zondag die gaat over de Naam Jezus.

Vraag 29. Waarom wordt de Zone Gods 'Jezus', dat is Zaligmaker, genoemd? Antwoord. Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is. Dit gaat over: dat in Jezus zaligheid is.

Vraag 30. Geloven dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken? Antwoord. Neen zij; maar zij verloochenen met de daad de enige Heiland Jezus, ofschoon zij met de mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is. Dit gaat over: dat er buiten Jezus geen zaligheid is.

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: De Naam Jezus

We letten samen op twee aandachtspunten, vanuit de twee vragen en antwoorden die we gelezen hebben. We letten in de eerste plaats op: in Jezus is zaligheid. En we letten in de tweede plaats op: buiten Hem is er geen zaligheid.

Dus het thema voor de preek is: De Naam Jezus. Twee aandachtspunten: 1. In Jezus is zaligheid 2. Buiten Jezus is geen zaligheid Als eerste dus:

1. In Jezus is zaligheid

Zijn Naam is Jezus. De Catechismus zegt: omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost. Hij maakt ons zalig. Dat wil zeggen: Hij verlost ons van het grootste kwaad (van de zonde) en Hij brengt ons terug tot het hoogste goed (tot een leven met God).

Hij verlost van de zonde. Zonde, wat is dat eigenlijk? Zonde betekent eigenlijk: doel missen. Je bent aan het voetballen, je mikt (maar ah, je hebt er eigenlijk helemaal geen zin in), je schopt ernaast. Naast het doel! Je krijgt een opdracht mee van school, je moet een bepaald doel bereiken. Maar je hebt er gewoon geen zin in. Je mist je doel.

God schiep ons in het paradijs, met het doel om God te dienen, lief te hebben, te eren en te vrezen. We waren geschapen voor de heerlijkheid van God. Maar daar hadden we geen zin in. Dat hebben we niet gedaan. We gingen liever ons eigen doel achteraan. En dus luisterden we niet naar Gods gebod, maar naar de duivel. We hebben tegen God gezondigd, we hebben ons doel gemist.

Zonde, gemeente, is het ergste wat er is. Wat beseffen we dat vaak weinig. Hoe vaak hebben we er helemaal geen erg in. Hoe vaak hebben we helemaal geen oog voor het feit dat we zondigen. En hoe vaak, als we daar wèl erg in hebben, denken we niet: Ach, ‘t was een vergissing, of: Ach, ‘t was wel zonde, maar het kan erger…

Zonde is het ergste wat er is. Denk maar terug aan Zondag 4, aan antwoord 10: God vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En (antwoord 11): De zonde (ook die zonden, die wij nog wel vinden meevallen), die tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, die moet ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worden.

En nu, denk even goed met me mee: Wat is er erger? In geval iemand iets heel ergs doet: de misdaad of de straf? Wat is erger: dat je iemand vermoord hebt, of dat je daarvoor 20 jaar de cel in moet? Dat je iemand vermoord hebt, toch? Dus wat is erger: de zonde of de eeuwige straf? De zonde dan toch? Die is erger dan de straf. Die is erger dan de hel. Het allerergste, veel erger dan al het andere erge en ellendige in deze wereld, is onze zonde tegen God.

De zonde. Waarvan, zegt de Catechismus, de Zaligmaker ons verlost. Om ons te brengen tot het allermooiste, tot het allergrootste wat er op aarde te krijgen is. Tot verzoening en vrede met God. En… de tijd die hier op aarde van God krijgt, is tijd om dat te zoeken. Heb je je tijd tot nu toe ook zo gebruikt? Of heb je tot nu toe je kostbare tijd om de Heere te zoeken, verloren laten gaan? Terwijl je ziel nog steeds in groot gevaar is? Op weg naar de grote ontmoeting met God en naar de eindeloze eeuwigheid?

Laten we nu eerst samen gaan zingen uit Psalm 2:7: Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; Die Sions Vorst erkennen voor hun HEER; Welzalig zij, die vast op Hem betrou-wen. - - - - -

Jezus, Hij is zoals Hij heet: Zaligmaker. Hij Die verlost en redt. Wie verlost Hij? Voor wat voor soort van mensen kwam Hij? Voor zondaars en voor niemand anders. Zo had Zijn Vader Hem naar deze aarde gestuurd. En zo wilde Hij Zelf komen. Als Zaligmaker van zondaars.

En wat zeiden die zondaars? ‘U bent hier niet welkom.’ Zoals Johannes schrijft in het begin van zijn Evangelie: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Er was voor Hem geen plaats in de herberg. Er was voor Hem geen plaats in deze wereld. Er was voor Hem geen plaats bij ons.

En wat deden die zondaars? Herodes wilde Hem doden. De Joden wilden Hem van de steilte afwerpen. De Romeinen namen Hem gevangen, sloegen en spuugden Hem. En wij kruisigden Hem. Weg met Hem!

‘Missie mislukt’, zou je zeggen. Helaas, God wilde wel, maar wij, mensen, wilden niet. Nee. Het is gelukkig anders. Antwoord 30 zegt: Hij is een volkomen Zaligmaker. Dat wil zeggen: Hij heeft alles gedaan. En Hij doet alles. Want de Heere Jezus is een Middelaar (jongens en meisjes, die woorden moet je proberen te onthouden), Hij is een Middelaar (midden tussen God en mensen) van verwerving en van toepassing.

a. Een Middelaar van verwerving. Dat betekent dat de Heere Jezus de zaligheid verdiend en gekocht heeft. Door Zijn leven. Door Zijn gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Door Zijn lijden, in Zijn leven, in Gethsémané en op Golgotha. Door Zijn sterven aan het kruis. En door Zijn opstanding. Dat was de verwerving. Dat was het verdienen, het kopen van de zaligheid met de prijs van Zijn kostbare bloed.

Maar stel je nu voor, dat het daarbij gebleven was… Dan was er niemand zalig geworden. Want wij kunnen en willen van onszelf tot God niet terugkeren. Niemand van ons wil van zichzelf naar Jezus gaan en in Hem geloven. Denk maar aan wat ik zei, aan wat Johannes schreef: Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Dus die verwerving van de zaligheid, dat verdienen, dat vrijkopen, dat alleen was niet genoeg. Er is ook toepassing nodig. Dat de Heere het gaat geven, gaat werken in je hart.

b. De Heere Jezus is ook een Middelaar van toepassing. Dat is wat Paulus bedoelt als hij aan Timotheüs schrijft: Ik was een vijand, ik was een godslasteraar. Ik was niet op zoek naar God. Ik haatte Hem. Maar mij is barmhartigheid geschied. God heeft Zich over mij ontfermd. Dat ging van Hem uit. Zijn onverdiende genade was overvloedig over mij.

Snap je, dat je dus als kind van God nooit trots kan zijn op je bekering? Wij hebben niets, wat we niet uit genade gekregen hebben. Het is allemaal onverdiende genade. Verdiend door de Heere Jezus. En gewerkt, toegepast in ons hart door de Heilige Geest.

Dus het is niet zo (zoals sommige mensen wel beweren), dat Jezus alles heeft verworven, alles heeft voldaan voor zondaars, als een eerste stap. En dat het nu vervolgens ons ding is om dat te gaan geloven, als een tweede stap. Alsof het nu verder van ons zou afhangen, van onze wil en van ons vermogen om te gaan geloven.

Want niemand kan uit zichzelf geloven, als de Heere hem of haar het geloof niet geeft. Zoals de Heere Jezus Zelf zei in Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. En Paulus schrijft in Efeze 2:8: Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. De Heere Jezus is een volkomen Zaligmaker. Die alles verdiend, Die alles verworven heeft. En Die ook alles geeft, Die ook alles toepast, wat verloren zondaars nodig hebben. Hij doet letterlijk alles. En dat is geen belemmering. Dat is geen blokkade. Want Hij wil ook alles doen.

En dus, wat moeten wij dan gaan doen? De Catechismus zegt eigenlijk, in antwoord 29, in de laatste zin: zaligheid? Die is alleen te zoeken en te krijgen bij de Zaligmaker. Dus, dit is geen noodlottige conclusie, in de trant van: ‘God moet het doen. Jammer, ik kan er verder ook niets aan doen. Ik wacht maar af.’

Nee, dit is een hartelijke uitnodiging! Zijn Naam alleen al: Jezus. Ik, Ik alleen, kan en wil je zalig maken. En dit is een hartelijk welkom, voor iedereen, die het zelf niet kan. Dan moet je niet weglopen. Dan moet je niet wegduiken. Dan moet je niet wanhopig worden of lamgeslagen, zo van: voor mij zal het toch wel nooit kunnen… Nee, dan moet je de Zaligmaker gaan zoeken!

De Zaligmaker, Die beschikbaar is voor mensen zoals jij en ik. De Zaligmaker, Die je nodigt en zegt: Kom nu toch naar Mij toe.

Zoals staat in Mattheüs 11:28: Kom herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Ben je belast met een pak van zonde op je rug? Ben je moe van het werken, van het zelf proberen? Word je gedrukt door de ellende van dit leven? Ga dan toch naar Hem toe. Ga dan toch naar deze Zaligmaker toe. En ga door Hem terug naar God toe. Nu, vandaag... Nu je nog leeft… Nu het nog kan…

Vertel Hem je nood: je onwil, je onvermogen, je goddeloosheid en vijandschap, je ellende, zonde en schuld. Vertel Hem al je mislukte goede voornemens en al je mislukte pogingen om het beter te gaan doen. Want het wordt niet beter! Kom zoals je bent. En leg je nood en dood aan de voeten van deze Zaligmaker.

Stel dat nu niet weer opnieuw uit (met welke ondeugdelijke smoes dan ook), want uitstel is gevaarlijk. Want je kwaal is dodelijk. En nooit heeft iemand die zelf kunnen oplossen. Maar er is ook nog nooit iemand door Jezus weggestuurd. Ga dan met al je nood naar Hem toe. Je krijgt er spijt van, als je dat niet doet…

En als je merkt (en dat zul je merken!) dat er iets in je is, dat niet wil komen en niet wil buigen… Als je merkt dat alles in je zich verzet tegen Hem, omdat je het liever zelf doet… Werp je dan biddend aan Zijn voeten. En zeg het eerlijk tegen Hem: ‘Heere, ik kan het niet en ik wil het niet. Het is Uw werk. Maar U hebt het toch beloofd (al bij mijn doop), dat U alles wilt doen? U bent toch een volkomen Zaligmaker? Redt U dan toch mijn verloren ziel. Brengt U mij dan. Laat U me dan echt als een arme zondaar tot U komen. Dan zal ik U alle eer geven, omdat U alles hebt gedaan.’

Zijn Naam is Zaligmaker. En Zijn liefste werk is: verlossen van het grootste kwaad (van de zonde), en verloren mensen terugbrengen tot de vrede met God.

Wat een waarde krijgt deze Naam Jezus voor mensen, die niet weten hoe ze het zelf ooit goed moeten krijgen. Wat een zegen, als de Heere Zelf in het leven van zo’n vermoeide zondaar (die niet meer werken kan, en die niet meer weet hoe het verder moet) Zijn licht laat vallen op deze Jezus. Hem laat zien aan dat dodelijk vermoeide hart. Als God Zelf door het Woord in de nacht van uw zondeovertuiging gaat zeggen: Al waren uw zonden als scharlaken (en dat zijn ze!), zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn (en dat zijn ze!), zij zullen worden als witte wol. U kunt uzelf nooit meer schoon wassen. Maar Ik zal het doen.

Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken dat u in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen. Kortom: Ik zal alles doen!

Want, jazeker, Ik moet en wil vanwege Mijn heiligheid en rechtvaardigheid de zonden straffen. Maar Ik heb ze gestraft. En daarom is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn. De straf die u de vrede aanbrengt, heb Ik op Hem, op Jezus gelegd. Hij heeft vrijwillig de beker van Mijn toorn leeggedronken, voor u. Toen het zwaard van Mijn gerechtigheid Hem doorboord heeft aan het kruis op Golgotha. Eer Ik de zonde ongestraft liet blijven, heb Ik die gestraft aan Mijn lieve Zoon Jezus Christus aan het kruis. En daarom is de hitte van Mijn gramschap geblust. En daarom heet Hij: Zaligmaker van zondaars.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Buiten Jezus is er geen zaligheid

Vraag 30. Geloven dan die ook aan de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken? Antwoord. Neen zij; maar zij verloochenen met de daad de enige Heiland Jezus, ofschoon zij met de mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn óf die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, wat tot hun zaligheid van node is.

De vraag is eigenlijk simpel: Jezus is Zaligmaker, maar mogen wij Hem ook combineren met iets of iemand anders? Met? Nou ja, met (laten we de roomsen maar even laten rusten), met iets van onszelf. Wij zijn toch nette mensen, leden van de Gereformeerde Gemeente? We bidden, we lezen in de Bijbel, we doen Gods geboden (althans dat proberen we), we zijn druk bezig met de kerk en ijverig in de dienst van God…

Er zijn maar weinig mensen die dat hardop durven zeggen, maar er zijn hele volksstammen die wél zo denken. En, laten we maar eerlijk zijn: eigenlijk willen we het allemaal graag zo.

Een Zaligmaker? Ja, natuurlijk, dat is mooi, dat is geweldig. Maar voordat ik naar de Heere toe ga, wil ik natuurlijk wel weten of ik genoeg bij me heb. Genoeg dingen, waarvan ik kan zeggen: Kijk! Kijk, Heere, ik ben een gevoelig mens. Ik ben ernstig. Ik heb diep berouw over mijn zonden. Ik ken iets van mijn ongerechtigheid. Kijk, Heere, ik doe al zo lang zo goed mijn best. Kijk, Heere, hier is mijn geloof in U. Ben ik niet goed begonnen? Wilt U het alstublieft afmaken, in onze samenwerking met elkaar? Om dit alles pas ik toch wel een beetje bij U, de Zaligmaker? Ik doe mijn best, doet U de rest?

De catechismus zegt: Nee! Dat is een verloochening van de enige Heiland, van de enige Redder Jezus. Dat is de diepst denkbare belediging van Jezus!

Je kan denken: wat hebben de Joden Hem toch aangedaan, toen ze Hem aan het kruis sloegen. Maar dit is meer van datzelfde!

Denk eens goed na. En de Heere moge het u laten zien. De Heere stuurt Zijn Zoon naar deze aarde, om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Met een Naam vol hoop: De HEERE redt. En nu zegt u, nu denkt u: ‘Ach Heere, niet zo. Zo wil ik het niet. Ik wil graag meehelpen.’ U bent het gewoon niet eens met God, met Zijn manier van zalig maken! Nou, dan moet u wel verloren gaan. Of… u moet de hoop op uzelf vanaf nu opgeven.

Luister eens, wie biddend tot God komt, die hoeft niet te zeggen: ‘Kijk, dit breng ik allemaal mee. Mijn geloof, mijn werk, mijn goede dit, mijn goede dat…’ Dat lijkt wel goed, dat lijkt wel mooi, maar dat is vijandschap tegen God. Want u onderwerpt u niet aan de wil van God.

Nee, wie biddend tot God komt, die mag zeggen: ‘Moede kom ik, arm en naakt, tot U, o God, Die zalig maakt. Heere, ik ben verloren, ik ben doodongelukkig. Met mij is het hopeloos. Mijn hart is onverbeterlijk. Mijn hart is één hoop ellende, zonde en schuld. Ik heb echt niets. Maar U, Heere, hebt alles. O, volkomen Zaligmaker, wees mij zondaar genadig.’

Ik verzeker u: wie komt met iets, die gaat zo meteen met niets naar huis. Maar wie vanmiddag aan de voeten van de Heere Jezus komt met niets, die gaat zo meteen naar huis met alles.

Want, geliefde gemeente, het is één van twee: Of de Naam van Jezus is puur bedrog: de Heere redt niet. Hij is niet een echte, niet een volkomen Zaligmaker. Hij heeft mij ook nodig. Het moet samen met mij, met mijn geloof en met mijn werken. Maar als je dat denkt, dan maak je God een leugenaar. Of, dat is de andere mogelijkheid: alles is in Hem, en niets komt van ons. Het is alles of niets.

Pijnlijke weg, als de Heilige Geest ons dat leert: samen delen, samenwerken, dat gaat niet, dat kan niet. Dat is een doodlopende weg. Paulus zegt: We moeten sterven aan de wet. Zelf doen, dat is onmogelijk. En dat is voor ons het meest vernederende wat er is. Daarom blijven zoveel mensen hopen op alles wat ze zelf hebben, op alles wat ze zelf proberen en doen. Daarom blijven zoveel mensen wachten op het moment, dat zij denken dat hun hart geschikt is voor Jezus. Maar zover zal het nooit komen!

Zeg nu maar eerlijk tegen de Heere: ‘Heere, ik kan het niet en ik wil het niet. Alles van mij is tekort. Niet eens neutraal, maar onbruikbaar. Zoals Paulus zegt: schade en drek, verlies en vuil.’

Al onze gerechtigheden, onze beste werken, onze meest hartelijke tranen, ons eigen gemaakte geloof, alles wat we hebben en koesteren, waarvan wij denken dat het Gods hart wel vertederen zal, het is allemaal (zegt de profeet) een wegwerpelijk kleed. Rommel. Het kan regelrecht de vuilnisbak in.

U zegt: ‘Maar dan sta ik met lege handen voor de heilige en rechtvaardige God.’ Ja, dat klopt. En dan is er plaats voor het wonder van Gods genade. Als je als een arme bedelaar, je lege handen uitstrekt naar Hem: de Zaligmaker van zondaars. Als je met niets van jezelf tot Hem vlucht. En Hij je laat zien: Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Ik voor u, in uw plaats. U niets, Ik alles. Een geschikte Zaligmaker, een geschikte Jezus voor een ongeschikte zondaar. De Machtige voor een machteloze. De Heiland, de Redder, voor een reddeloze.

U zegt (en u meent het, het is uw zorg en verdriet): ‘Waarom heb ik, waarom krijg ik zo weinig zicht op de Heere Jezus?’ Ik kan maar één antwoord bedenken: voor Jezus moet je een verloren mens zijn. En alles wat je meer bent dan dat, houd je bij Hem vandaan. Dus geef het nu maar op, al dat werken, al dat zelf proberen, al dat zelf gaan geloven. Het wordt nooit iets met u en met mij. Het is een diepe belediging van Christus. Het is een (zegt de Catechismus) metterdaad verloochenen van Hem.

Gemeente, wie u ook bent: Kom, voor het eerst of opnieuw, kom tot Christus, de Zaligmaker van zondaars. Met niets, met niets dan zonde, schuld, ellende, nood en dood. En buig zo aan Zijn voeten. En kus de Zoon.

Als u niet komt, dan zult u zeker verloren gaan. Maar als u komt, dan zult u zeker behouden worden. En dan blijft er maar één ding over om te zeggen en om te zingen: U, Heere, U alleen hebt mijn ziel gered!

Amen.

Slotzang Psalm 116:5,7

Gij hebt, o HEER’, in 't dood'lijkst tijdsgewricht Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen, Mijn voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods ogen, Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân, Dien trouwen HEER voor Zijn genâ vergelden? 'k Zal bij den kelk des heils Zijn naam vermelden, En roepen Hem met blijd' erkent'nis aan.