PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 10: Gods Voorzienigheid (serie 2)

Zondag 10 · 22 december 2024

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 10 (serie 2)

INLEIDING

Niets gebeurt toevallig — dat is de kern van Zondag 10 over Gods voorzienigheid. Met Zijn almachtige en alomtegenwoordige hand onderhoudt en regeert God alles: loof en gras, regen en droogte, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede. Wat het betekent voor Gods kinderen: geduld in tegenspoed, dankbaarheid in voorspoed, en een vast vertrouwen voor de toekomst. Want geen schepsel kan ons scheiden van Gods liefde — alles komt, hoe het ook voelt, uit een Vaderlijke hand.

THEMA

Gods voorzienigheid

KERNPUNTEN

  1. Wat houdt dat in? Wat is dat?
  2. Wat heb je als kind van God daaraan?

ZONDAG 10

Vraag 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 10: Gods Voorzienigheid (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 10

THEMA

Gods voorzienigheid

De vorige keer, jongelui, gemeente, ging het over: God de Vader, de Almachtige. Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft. En Die ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert. Die in Christus voor mij (als ik Zijn kind mag zijn) een eeuwige Vader is. Op Wie ik (al)zó vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen. En ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren. Dewijl (omdat) Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Daar ging het de vorige keer over. Over het vertrouwen op onze grote God en Vader. Over het vertrouwen dat (en daarom zijn we zo gelukkig met dat leven met de Heere!), dat Hij altijd voor ons zorgt. Dat Hij ons altijd het beste geeft. En dat Hij dat niet alleen wil doen. Maar ook echt kan doen. En dus zal Hij het ook doen. Omdat Hij de almachtige God is en onze trouwe Vader.

Vertrouwen op God, in een wereld, in een leven vol ellende, moeite en verdriet… Kan dat echt? Want zijn heel veel dingen die in de wereld en in dit leven gebeuren niet gewoon een toevallig samenlopen van omstandigheden? Geen noodlottige ongevallen? Waarbij én wij, én God machteloze toeschouwers zijn? Heeft de Heere echt alle dingen in Zijn handen?

Laten we, voordat we gaan kijken naar wat Zondag 10 daarover zegt, nog even terugkijken naar het Bijbelgedeelte dat we samen lazen: Mattheüs 10:29-31. Pak het er nog even bij. Het zijn maar drie verzen, maar ze vertellen heel veel.

Mattheüs 10:29: Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? Mussen en andere kleine vogeltjes werden in Israël gevangen, doodgemaakt, geroosterd en opgegeten. Als een soort delicatesse. Prijs? Twee voor één penning. Twee voor een cent. Of (Lukas 12:6): vijf voor twee cent. Vier plus één gratis. Spotgoedkoop dus!

Maar (vers 29b): Niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. Zonder de wil van hun Schepper, buiten de wil om van uw Vader.

Dus, wat zegt de Heere Jezus hier, met dit beeld van die mussen? Niet dat ons niets kan overkomen. Want die mus valt wel degelijk! Maar het gebeurt niet buiten de wil van de Heere om.

En (vers 30): En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Met andere woorden: Niet alleen uw ziel en uw lichaam zijn kostbaar voor uw hemelse Vader, maar zelfs ieder haar op uw hoofd. Ze zijn allemaal geteld. Geen ervan (hoeveel of hoe weinig het er ook zijn), geen ervan ontgaat Zijn oog. Daarom kan er buiten Zijn soevereine zorg en liefdevolle hart niets gebeuren, zelfs niet met één van deze haren.

Vers 31 zegt: Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven. Gods zorg over Zijn schepping is uitzonderlijk. Maar u, Mijn kinderen, valt onder een nog veel grotere zorg. Onder de zorg van uw hemelse Vader. Die zegt in Jesaja 49:16: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij. We gaan naar Zondag 10. Laten we die zondag samen gaan lezen: Zondag 10.

Vraag 27. Wat verstaat u door de voorzienigheid Gods? Antwoord. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders (en ook) alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Dit gaat over de vraag: Wat is dat eigenlijk, Gods voorzienigheid? Wat houdt dat in?

Vraag 28. Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Antwoord. Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen. Dit gaat over de vraag: Waartoe dient ons dat, dat we dat allemaal weten? Wat heb je als kind God daaraan?

Dus, het thema voor de preek is: Gods voorzienigheid Twee aandachtspunten: 1. Wat houdt dat in? Wat is dat? 2. Wat heb je daar als kind van God aan? Wat is het nut daarvan? Als eerste dus:

1. Wat houdt dat in? Wat is dat,

Gods voorzienigheid? Dat is iets (dat zegt het antwoord als eerste) van de almachtige God

Die almachtig is. Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Die hemel en aarde in stand houdt. Alles wat je om je heen ziet, houdt God in Zijn handen.

Als je omhoogkijkt, dan zie je overdag de lucht, de zon of de wolken. En ’s avonds en ’s nachts zie je de maan en de ontelbare sterren. Waarom vallen die sterren niet? Waarom blijft de zon schijnen? Waarom stort alles niet in elkaar? Omdat God ze vasthoudt. Omdat Hij (zegt de catechismus) hemel en aarde onderhoudt. Hij houdt Zijn hand er onder. Psalm 147 zegt het zo: Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze alle bij namen. Daarom zegt Psalm 8 (zo moet je naar boven kijken): Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die U bereid hebt. Dan voel ik me nietig en klein! Wat is de mens (wie ben ik dan, sterveling, dat U aan mij denkt?) en de zoon des mensen, dat U hem bezoekt? Dat U naar ons omkijkt? Hoe groot bent U, o Heere. En hoe groot Zijn Uw werken.

Maar, jongens en meisjes, niet alleen de grote dingen zijn in de handen van de almachtige God. Ook de kleine: de mensen, de dieren, de vogels. Je goudvis, je konijn en de spin die in de hoek van de kamer zit. Want die oneindige kracht van God is (zegt de catechismus) alomtegenwoordig. Die is overal.

Dus, waar je ook bent, daar is God. Met Zijn machtige, almachtige handen. Psalm 139 zegt het zo: Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest, en waar zou ik heen vluchten voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij Hoe groot is onze God. En hoe machtig zijn Zijn werken.

De Heere bestuurt en regeert alles. Als je daaraan denkt, dan moet je natuurlijk niet denken: O, maar als God alles bestuurt en onderhoudt, dan maakt het niet uit, wat ik doe. Nee, dit is niet om misbruik van te maken. Dit is ook geen excuus voor de zonde.

En dan moet je ook niet denken dat God de oorzaak is van alle slechte dingen in deze wereld. Hij laat het wel toe (in Zijn Goddelijke wijsheid). Maar de zonde komt niet van God.

Als je aan al die dingen denkt, dan moet je denken: Wat er ook gebeurt in mijn leven, wat ook gebeurt in deze wereld, wat mensen ook lijken te doen, daarboven staat God. Machtiger dan het bruisen van grote wateren.

Zoals de dichter zegt van Psalm 93: Gij zijt veel sterker dan ’t geweld der wateren, dien Uw almacht palen stelt. De grote zee zwijgt op Uw wenk en wil, (hoe fel zij bruis', hoe fel zij woede) stil.

Wat is nu de troost daarvan, als u daaraan denkt, kind van God? Dit: in onze gebeden doen we een beroep op de almacht van onze God. Op de almacht van Hem Die alles in Zijn handen heeft en Die alles onderhoudt en regeert. Op de almacht van Hem van Wie Job zei: Ik weet dat U alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. Op de almacht van Hem van Wie Jeremia zei: Ach Heere HEERE, zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. Op de almacht van Hem van Wie Zacharia schreef: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen. Op de almacht van Hem van Wie de engel tegen Maria zei: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Op de almacht van Hem van Wie de Heere Jezus Zelf zei: De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

En dan kan het dus zo maar zijn, dat je zelf of dat mensen iets voor onmogelijk houden. Of dat mensen iets verhinderen of blokkeren. Maar dat God op een eenvoudig gebed en in de weg van eenvoudig geloven in Zijn Woord, wonderen gaat doen. Als Hij spreekt, en het is er. Als Hij gebiedt, en het staat er. Als de Almachtige de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. De grote zee zwijgt op Zijn wenk en wil, hoe fel zij bruist, hoe fel zij woedt… stil.

Dat wil niet zeggen, dat we alles weg kunnen bidden (om zo te zeggen). Want de Heere regeert naar de raad van Zijn wil. En Zijn raad zal bestaan. Niet de onze. En, als Gods oordelen over de wereld en over de kerk gaan, dan lijden Zijn kinderen vaak mee in die oordelen. Maar niet zonder de stille wetenschap in ons hart: De Heere regeert.

En zonder Zijn wil kan de duivel zich niet verroeren of bewegen. Laat staan een nietig mens. En dus zingt de dichter van Psalm 118, midden in de nood van zijn leven: De Heere is bij mij, ik zal niet vrezen! Wat zal een nietig mens mij doen?

De Heere kan alles. En Hij is overal. En op die manier regeert en bestuurt Hij het leven van Zijn kinderen. De catechismus zegt: zo (op deze manier), dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.

Alles komt dus uit de hand van de Heere. Wat het ook is. Regen of droogte, rijkdom of armoede, gezondheid of ziekte, er is niets in deze wereld en in ons leven wat toevallig gebeurt (zomaar, vanzelf). Maar alles wordt bestuurd door God.

En voor Gods kinderen geldt: alles in ons leven komt uit Gods Vaderlijke hand. De Bijbel leert ons niet, dat we dan ook alles begrijpen. Maar geloven (dat weet je nog van Zondag 7) is ook niet begrijpen. Geloven is kennen en vertrouwen. Zoals je een goede vader durft vertrouwen. Want je weet: Wat hij doet, dat is goed.

Met al die dingen die gebeuren (regen en droogte, ziekte en gezondheid, rijkdom en armoede, en zoveel dingen meer) wil de Heere ons leren te vertrouwen. Wil de Heere ons leren meer te vertrouwen op Hem. In beide situaties. In armoede, maar ook in rijkdom. In ziekte, maar ook in gezondheid. De Heere wil ons leren ons altijd van Hem afhankelijk te weten.

Niet alleen als ons leven ingewikkeld of moeilijk is. Maar ook als alles goed gaat. Ook dan mag je als kind van God leven in de wetenschap: alles (ook dit goede!) komt uit de handen van mijn hemelse Vader.

En dat geldt voor alle aspecten van ons leven. Waar er hier een paar van worden genoemd. Maar dat mag je natuurlijk uitbreiden. Bij een prille relatie. Het ging goed, of het liep mis… Bij een sollicitatie. Aangenomen, of afgewezen… Bij het wachten op de uitslag van een onderzoek. Alles was goed, of het bleek toch niet goed te zijn… Bij het uitzien naar de kinderzegen. Het verlangen werd vervuld, of (pijnlijk…) niet. Ik stond kandidaat. En ben gekozen, of weer niet gekozen… Ik ging met een attest naar het curatorium. En werd wel, of weer niet aangenomen… Niets, kinderen van God, gebeurt bij geval. Maar alles komt uit Gods Vaderlijke hand.

Dat wil zeggen: Wees nu toch eens wat meer gerust, hoe het ook gaat. Leer hopen en vertrouwen op God, op Zijn eeuwige wijsheid, op Zijn onfeilbaar Woord. Zie nu toch af van mensen. En kijk omhoog. Zoals de dichter van Psalm 118 dat doet: De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen. Het is beter tot de HEERE de toevlucht nemen, dan op mens te vertrouwen.

Ik zeg dat niet gemakkelijk. Want ook ik weet, dat er verschil is tussen dit op zondagavond even nazeggen en dit moeten doorleven, dwars door zware slagen heen. Dwars door het verlies heen van je man of vrouw, van je vader of moeder, van je kind of kleinkind, of van een andere geliefde. Dan is ons natuurlijke hart, dan is onze oude mens, kinderen van God, geneigd om in opstand te komen. Om boos te zeggen: ‘Waarom, Heere, doet U mij zo’n pijn? Waarom doet U me zo’n verdriet?’

Maar toch, ik roep u biddend op, geliefde broeders en zusters in de Heere, om midden in tegenspoed in stilte uw knieën te buigen, gebogen over het beloftewoord van de Heere, de woorden nabiddend van de Heere Zelf: Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.

Om te zeggen (hoewel u er misschien wel niets van begrijpt), zeg dan maar: ‘Heere, ik begrijp er niets van. Maar ik weet en geloof dat U nooit iets verkeerd doet. Laat me buigen, laat me zwijgen onder Uw Goddelijke en alwijze besturing en wil. Mijn Vader, wat U doet is goed.’

Stamel dan maar met Job: Uw Naam, Heere, zij geloofd! Stamel dan met David in Psalm 42: Al Uw golven (gelukkig, het waren Uw golven), al Uw golven zijn over mij heen gegaan. Maar, U, Heere, zult uitkomst geven. En verwacht daarvoor niets van mensen, maar alles van Hem!

We gaan er samen van zingen uit Psalm 42:4,5: 'k Denk aan U, o God, in 't klagen, Uit de landstreek der Jordaan; Van mijn leed doe 'k Hermon wagen; 'k Roep van 't klein gebergt' U aan. 'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, Daar 't gedruis der waat'ren groeit, Daar Uw golven, daar Uw baren Mijn benauwde ziel vervaren.

Maar de HEER zal uitkomst geven, Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt; 'k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; 'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen. - - - - -

Gemeente, de Heere zorgt voor Zijn kinderen. Met, zegt de catechismus, Zijn Vaderlijke hand. Wat betekent dat? Dat God een Vaderlijke hand heeft voor Zijn kinderen? a. Dat betekent, dat je (als je kind van God bent) tegenover de Heere klein bent Want vader is groot. Je hebt eerbied, je hebt respect voor vader. Vader is groot, zelf ben je klein. b. Dat betekent, dat je (als je kind van God bent) diep afhankelijk bent van Hem. Als klein kind eet je uit de hand van vader. Als klein kind loop je aan de hand van vader. c. Maar je voelt ook liefde in deze woorden: Vaderlijke hand. Als je daaraan loopt, zie je dat niet alleen, maar voel je dat ook aan die warme hand… Dan weet je het: mijn pappa laat me nooit los.

Dat is de troost, die de Heere je (als je Zijn kind mag zijn) wil geven. ‘Mijn kind, hoe Ik je weg ook stuur en wat Ik ook laat gebeuren, Ik laat je niet los, Ik ben bij je, Ik zorg voor je.’

Trouwens, als ik dat zo vertel, dan voel je ook, hoe belangrijk en hoe nodig het is om de Heere echt te kennen. Want dan pas kan en durf je Hem echt te vertrouwen. Daarom zegt de Bijbel ook: Wees nu niet zo druk met alles van nu, maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen (al deze dingen) zullen u toegeworpen worden.

Met andere woorden: Je hebt Mijn genade nodig. Dan pas kan je echt leven als kind van God. Dan mag je net als het volk Israël in de woestijn aan Gods hand door dit leven reizen. De Heere wijst de weg met Zijn wolkkolom. Overdag is er, in de hitte van de dag, de schaduw van de wolk. En als je ’s nachts niet kan slapen, en je uit je tentje naar buiten kijkt, dan zie je de vuurkolom. En dan weet je: De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen. Is de weg gesloten? Dan maakt de Heere een weg dwars door de Rode Zee. Is er geen plaats om te wonen? Dan maakt de Heere plaats. Is er geen eten? Dan zorgt de Heere voor eten en drinken; voor manna, voor kwartels, voor water uit de steenrots.

En dan zingen wij (zelfs al is het midden in de nacht): Gij, evenwel, Gij blijft Dezelfde, o HEERE, Gij zijt van ouds mijn(!) toeverlaat, mijn(!) Koning, Die uitkomst gaf en uit Uw hemelwoning, Voor ieders oog Uw haat'ren ging te keer.

We gaan naar ons tweede punt: Vraag 28 vraagt: Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Het antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God

en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Wat heb je als kind van God daaraan?

Wat is het nut daarvan, van dat weten dat God alle dingen bestuurt en regeert? a. Het eerste wat de catechismus zegt is: dat wij in alle tegenspoed geduldig zijn mogen. Kinderen van God, de tegenspoed in ons leven komt uit Gods Vaderlijke hand. Om ons dingen te leren, die we van onszelf niet hebben. En die we in tijden van voorspoed ook niet kunnen leren. Geduld bijvoorbeeld.

En hoe gaat de Heere ons dat leren? Door kruis en tegenspoed, door moeilijke wegen, die we (ik zeg het met schroom) als genade, als gift uit Gods hand krijgen. ‘Hier, Mijn kind, zo wil Ik je leren, wat je anders nooit zou leren.’ ‘Dank U, Heere!’ Geduldig en onderworpen zijn, wetend dat Gods wijsheid nimmer faalt.

‘Mijn kind, zo zal je meer oog krijgen voor Mijn grootheid. En voor je eigen kleinheid. Zo zal je meer oog krijgen voor Mijn trouw en Mijn Vaderlijke zorg. En voor je eigen zonden en ongerechtigheid. Zo zal je vooral meer oog krijgen voor je geduldige Zaligmaker. Die een kruis droeg, dat oneindig veel zwaarder was dan dit uw kruis. Hij droeg het in volmaakt geduld. Zie op Hem! Zo, Mijn kind, wil Ik je ook leren vooruit te kijken, met verlangen naar de tijd die komt. Want (zo zeg Ik je): dit is een lichte verdrukking die voorbijgaat. Zoals Ik ooit Paulus liet opschrijven: Want onze lichte verdrukking (die licht voelt, omdat de Heere ons kruis meedraagt), die zeer haast voorbijgaat (binnenkort worden onze tranen gedroogd), werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Dit is, om Christus’ wil, in navolging van Hem, onze weg van lijden tot heerlijkheid.

Daarom, kinderen van God, neem (met mij) uw kruis op, en draag het gewillig achter Jezus aan. Lerend van de kruisdragende Hoogepriester. Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods. Deze grote Kruisdrager, onze medelijdende Hogepriester, weet precies wat u dragen moet. En ook wat u dragen kan. En Hij bad het ons vóór: Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.

Misschien gaat uw levensweg, onbekeerde vrienden, ook heel anders dan u tevoren dacht en hoopte. En nu zegt u daar vanavond mistroostig bij: ‘Maar ik ken de Heere niet. Ik ken deze troost niet, van gedragen te worden door Vaderlijke armen. Waardoor ik ondanks alles geduldig en gerust zou kunnen zijn.’

Vraag de Heere dan toch of Hij juist nu (nu Hij zo dichtbij is, ook al ziet u Hem niet) al deze moeilijke dingen wil gebruiken om u aan Zijn voeten te brengen. Om Zijn Naam in uw leven groot te maken.

Dat God alles regeert, onderhoudt en bestuurt, wil ons in tegenspoed geduldig maken. b. Maar ook (dat is het tweede wat de catechismus zegt): in voorspoed dankbaar. Dat lijkt voor het oog gemakkelijker, maar dat is het niet. Dankbaar zijn is net zo goed: genade. Want van onszelf zijn we niet zo dankbaar. Onze voorspoed leidt meestal tot vergeten. Zoals bij de schenker in de gevangenis. Toen hij vrijkwam, vergat hij Jozef. Zo vergeten ook wij de Heere, in tijden van voorspoed, zo vaak. We denken: Het gaat gewoon allemaal vanzelf goed.

We moeten niet alleen het geduld leren van de geduldige, kruisdragende Hogepriester, maar ook de dankbaarheid. Dankbaar zijn is genade. Dankbaarheid leer je door een weg van bekering. Dat leer je door te zien wie je bent voor God. Dan leer je zien, dat alles wat je krijgt, meer is dan je verdiend hebt. Dan word je klein voor God. Dan leer je je schamen voor je ondankbaarheid. Dan ga je Christus en Zijn genade nodig hebben. Om door Hem te leven met de Heere, ook in tijden van voorspoed.

Dat God alles regeert, onderhoudt en bestuurt, wil ons in tegenspoed geduldig maken en in voorspoed dankbaar. c. En (dat is het derde wat de catechismus noemt) het wil ons voor de toekomst een goed toevoorzicht geven. Een goed toevoorzicht. Dat wil zeggen: verwachting. Verwachting van de Heere. Onze getrouwe God en Vader, wetend, zegt de catechismus: dat geen schepsel ons van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Dat is de genade van innerlijke, hartelijke rust. Levend onder Gods Vaderlijke zorg. De genade van: Hoe het ook mag tegenlopen, toch zal ik op Gods goedheid hopen. Waardoor je niet meer zo schrikt van de dingen die gebeuren. Omdat je weet: Niets is toeval. De Heere weet van mij af. En Hij heeft alle dingen in Zijn handen. En niemand kan iets doen, geen mens kan zich roeren of bewegen, buiten Hem.

En dus zijn we veilig. Zoals de dichter van Psalm 23 zingt: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Want: De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij is er altijd, met Zijn stok en met Zijn staf. Waarmee Hij leidt, stuurt, bestuurt, zorgt en troost.

Maar, jongelui, weet je wat ons het allermeest troost? Als er tegenspoed, verdriet en narigheid is? En ook als er blijdschap is?

Dat kleine zinnetje wat er tussenin staat. Wat Paulus heeft gezegd in Romeinen 8: Geen schepsel (niets en niemand) zal ons van Zijn liefde scheiden.

Daarom zijn degenen die de Heere dienen het gelukkigst van iedereen. Hoewel sommigen van Gods kinderen meer narigheid overkomt dan heel veel andere mensen. Toch zijn we het gelukkigst van allemaal. Want we hebben iets gekregen, een schat, die we nooit meer kwijt zullen raken. De liefde van God. De liefde van de Heere Jezus Christus.

En dus, wat er ook gebeurt… Al brandt ons huis af. Al hebben we geen eten meer… Al worden we gehaat of uitgelachen… Al hebben we blijvend veel pijn, om wat de Heere ons niet gaf… Al vallen we in de zonde. Al laten we de Heere in de steek… Al raken we het allerliefste kwijt, onze man of vrouw, vader of moeder, ons kind, ons kleinkind… We kunnen heel veel, we kunnen bijna alles kwijtraken. Maar één ding verliezen we nooit, dat raken we nooit kwijt. We hebben een band die nooit breekt: de band van de liefde van God en van de Heere Jezus Christus. En de band van onze terugliefde tot Hem. En daarmee durven we de toekomst aan, wat er ook gebeurt. Onze ziel is immers stil tot God. Want van Hem verwachten we een heilrijk lot.

Midden in alle onzekerheid van dit leven mogen we leven van de belofte van de Heere uit Jesaja 43: Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland. Wees dan, kinderen van God, geliefde medechristenen, in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging (voor alles!), bekend worden bij God. Want onze hemelse Vader weet wat we nodig hebben.

Vertrouw uw verleden, heden en toekomst, dan maar gerust in Zijn Vaderlijke handen. Want alle schepselen (wie of wat het ook zijn) zijn zo in Zijn hand, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Amen.

Slotzang Psalm 77:8