Zondag 16 · 23 februari 2025
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 16 (serie 2)
INLEIDING
Zondag 16 gaat over het laatste van de vernedering van Christus: Zijn dood, begrafenis en nederdaling ter helle. Vanwege Gods gerechtigheid en waarheid kon voor de zonde niet anders betaald worden dan door de dood van de Zoon van God. Zijn begrafenis bewijst dat Hij werkelijk stierf. Voor Gods kinderen is de dood daardoor geen straf meer, maar een doorgang tot het eeuwige leven. En Zijn helse benauwdheid aan het kruis geeft, juist in de zwaarste aanvechting, zekerheid en troost.
Het laatste van Christus’ vernedering
ZONDAG 16
Vraag 40: Waarom heeft Christus zich tot in de dood moeten vernederen?
Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.
Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?
Omdat daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was.
Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten streven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.
Vraag 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 16
THEMA
Het laatste van Christus’ vernedering
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Twaalf Artikelen (1e berijming):1
Lezen Jesaja 53
Gemeente, jongelui, van de trappen van de vernedering van de Heere Jezus hebben we er ondertussen drie gezien. In Zondag 14 ging het over de nederige geboorte. Dat was de eerste trap, de eerste traptrede van de vernedering van de Heere Jezus. In Zondag 15 ging het over het lijden van de Heere Jezus, Zijn leven lang, maar vooral aan het einde van Zijn leven. Dat was de tweede traptrede. En uiteindelijk werd Hij onschuldig ter dood veroordeeld onder Pontius Pilatus. En gekruisigd. Dat was de derde traptrede.
En nu gaat het over wat daarna gekomen is. Want de Heere Jezus is niet alleen gekruisigd, maar ook gestorven en begraven. Dat was de vierde trap. En nedergedaald ter helle. Dat was de vijfde traptrede van Zijn vernedering.
Omdat Zondag 16 een hele lange zondag is, met vijf vragen en antwoorden, zal ik dit keer geen inleiding houden op mijn preek. Het hoofdstuk dat we gelezen hebben, Jesaja 53, spreekt in dit verband voor zich.
Laat ik alleen dit zeggen. Wat hier in Zondag 16 schittert is, wat Jesaja zegt in Jesaja 53:5: Maar Hij (Christus) is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Laten we dat in deze week in stilte voor onszelf overdenken.
We lezen samen Zondag 16 van de Catechismus. Vraag 40. Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen? Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods. Dat gaat over de reden van Zijn dood
Vraag 41. Waarom is Hij begraven geworden? Om daarmede te betuigen (om daarmee te laten zien) dat Hij waarachtig gestorven was. Dat gaat over de werkelijkheid van Zijn dood.
Vraag 42. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven? Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Vraag 43. Wat verkrijgen wij meer (wat is er nog meer?) voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis? Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen. Antwoord 42 en 43 gaan over de vrucht van Zijn dood. Over wat de Heere Jezus daarmee verdiend heeft.
Vraag 44. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle? Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft. Dit laatste antwoord gaat over de troost van Zijn lijden.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Het laatste van Christus’ vernedering
Er zijn vier aandachtspunten, ik heb ze eigenlijk al genoemd: 1. De reden van Zijn dood 2. De werkelijkheid van Zijn dood 3. De vrucht van Zijn dood 4. De troost van Zijn lijden Als eerste dus:
Want het moest. Hij, de Heere Jezus, moest sterven. De Catechismus zegt in antwoord 40: Het kon niet anders. Waarom? Waarom kon het niet anders? Had Hij geen andere straf kunnen krijgen? Iets minder zwaar misschien? Waarom moest Hij zelfs de vervloekte dood aan het kruis sterven?
De Catechismus zegt: Dat was echt nodig. Omdat? Kijk maar in antwoord 40: Omdat vanwege de gerechtigheid en waarheid van God niet anders voor onze zonden kon betaald worden dan door Zijn dood.
a. De Catechismus zegt: Het kon niet anders vanwege Gods volmaakte gerechtigheid. Vanwege die stralende eigenschap van God, waardoor Hij altijd doet wat recht, wat eerlijk is. De Heere is recht in al Zijn weg en werk. Hij is niet oneerlijk. Hij doet nooit onrecht.
En dus volgde op de allerergste en allergrootste zonde in het paradijs, de hoogste straf. Dat was onvermijdelijk, dat moest. Want daar was de eer van God in het geding. Dat moest, dat kon niet anders vanwege Zijn gerechtigheid. En…
b. Het kon ook niet anders (zegt de Catechismus) vanwege Gods waarheid. De Heere liegt nooit. Als Hij iets belooft, het kan even duren, maar Hij zal het doen. Hij is een Waarmaker van Zijn Woord. En als Hij dreigt met straf, het kan even duren, maar Hij houdt Zijn woord. En dus: kon het niet anders. Ja, is dat echt zo? God had toch ook gewoon alle mensen zelf kunnen straffen? Maar de Catechismus zegt het terecht: God kon niet anders.
Want? Nou, op de achtergrond schuilen nog twee andere dingen. Gods eeuwige plan, Zijn raad, Zijn besluit, Zijn welbehagen om verloren mensen te redden en vrijkopen van hun schuld. Dat had God in eeuwigheid al besloten. Om mensen vrij te kopen, die dat zelf niet zouden kunnen. En dus besloot de Rechter om Zelf in te grijpen en Zijn Zoon te geven in hun plaats. En daarbij is er ook nog de eigenschap van Gods liefde.
En dat brengt ons bij het wonder van Golgotha. Gods waarheid en recht eisten de eerlijke straf, de doodstraf. En Gods eeuwige raad en liefde lieten die doodstraf neerkomen op de Heere Jezus Christus. Om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. En zo opende de Heere op een wonderlijke manier een weg. Golgotha werd de plaats van het wonder van Gods eenzijdige genade voor verloren zondaars.
Daar werd dwars door het oordeel heen al de liefde van God zichtbaar. In de vrijwillige overgave en dood van Zijn lieve Zoon. En zo schitterden op Golgotha al de deugden, al de volmaakte eigenschappen van God: genade en waarheid, recht en vrede.
Het kon niet anders. En de Heere wilde het niet anders. Er moest voor onze zonden betaald worden, door de dood des Zoons Gods. Zijn dood voor onze dood.
Hebt u daar trouwens wel eens iets van gezien voor uzelf? Het is de Heere die de maat ervan bepaalt. Maar kent u iets van dit, wat hier staat: het kon niet anders. Want…, zo erg is het, ook met mij. Ik heb de dood verdiend. En Gods waarheid en recht eisen: er moet betaald worden, Met een volledige betaling. Maar ik kan niet betalen. Ik heb werkelijk niets om te voldoen.
Leeft dat zo in uw hart? Ik heb niets. En al die offers van mij, het is allemaal tekort. Het glipt me allemaal door de vingers. Het wordt me allemaal uit handen geslagen Er moet Iemand anders voor mij betalen en sterven?
En dan dat wonderlijke, als God Zijn licht laat vallen op Hem, de Heere Jezus Christus. Die de Vader in liefde gaf aan een verloren wereld. Die Zichzelf gaf om in plaats van verloren zondaars te sterven aan het kruis. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Uw dood werd Mijn dood. En Mijn leven wordt uw leven. Uw schuld is uit Gods boek gedaan. Hij ziet geen van uw zonden meer aan.
Ons tweede punt:
Vraag 41 zegt: Waarom is Hij begraven geworden? Om daarmede te betuigen dat Hij waarachtig (dat wil zeggen: echt) gestorven was.
De Heere riep: Het is volbracht. Hij boog Zijn hoofd. En gaf de geest. En een soldaat doorstak Zijn zijde, hij stak een speer in Zijn hart dat gebroken was, en terstond stroomde er bloed en water uit. En daarna hebben Jozef van Arimathea en Nicodemus Hem in stilte begraven. Dat is de Bijbelse manier van omgaan met onze doden. Zoals de Heere Zelf het lichaam van Mozes in de aarde begroef.
Die begrafenis was echt. Dat was geen schijnvertoning. De Heere Jezus was echt gestorven, en dus werd Hij echt begraven.
Maar het betekent meer. De Heere Jezus gaat niet alleen voor al Zijn kinderen de weg van lijden en sterven, maar Hij gaat ook voor hen de weg van begraven worden. Alles wat door de zonde aan ellende in de wereld gekomen is, alles draagt Hij voor hen. Alles. Ook het laatste: de oneer en de vernedering van begraven worden.
En door Zich te laten begraven, is dat ‘begraven worden’ voor kinderen van God anders geworden. Dat kille graf, kinderen van God, waarvan de dichter zingt: Wie redt zijn ziel van graf…? Dat kille graf, waar we onze geliefden met tranen neergelegd hebben… Dat kille graf, waar ook ons leven eens zal eindigen… Dat is anders geworden. Nu de Heere Jezus daarin gelegen heeft, heeft Hij die plek voor ons geheiligd. Nu heeft Hij ook die plaats voor ons gekocht.
Als een wachtkamer. Als een plaats waar ons lichaam in stilte en vrede wacht. Als een slaapkamer. Als een plaats waar ons lichaam in stilte en vrede de slaap slaapt van de dood. Totdat we op de dag van de terugkomst van de Heere Jezus weer wakker gemaakt zullen worden, om als bruid de Bruidegom tegemoet te gaan. Als een kleedkamer. Waar het kleed van de zonde uitgetrokken wordt, totdat we straks in een nieuw bruiloftskleed tot de Koning gebracht zullen worden. De begraafplaats is voor ons een akker, een doden-akker geworden. Waar ons lichaam als tarwe gezaaid wordt. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt straks opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt straks opgewekt in kracht.
Straks, als onze Heere terugkomt op de wolken van de hemel. Jongelui, je kan huiveren als je denkt aan de dood, als je denkt aan het graf. Maar het leven met de Heere breekt in ons iets van de angst voor de dood. Zeker, we denken er niet gemakkelijk over. Het blijft de laatste vijand. En ziekte, afhankelijkheid, afgebroken worden, is heel zwaar. Daar deinzen wij mensen voor terug. De dood hoort niet bij ons mensen. Wij mensen willen leven!
En toch, sinds het sterven en het begraven worden van de Heere Jezus is er iets veranderd. Waardoor je anders mag kijken, naar je geliefden die in de Heere gestorven zijn. Die met de Heere leefden en in de Heere stierven. En als je zelf kind van de Heere mag zijn, mag er ook zelf anders naar kijken. Zoals de dichter van Psalm 49 zingt: Na de dood? Is het leven mij bereid. God neemt mij op in Zijn heerlijkheid.
Dat gaan we nu eerst samen zingen, Psalm 49:6: Men denkt niet meer aan hun verleden staat, Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat; Maar na den dood is 't leven mij bereid; God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft, Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft; Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen; Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen. - - - - -
Zondag 16 gaat over het laatste van de vernedering van de Heere Jezus. We hebben het gehad over de reden en over de werkelijkheid van Zijn dood. We gaan nu verder met ons derde punt:
Want, zo zegt vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven? Het antwoord zegt: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven
Hoe komt het dat wij ook moeten sterven? Ja, want ook wij moeten sterven. Ook jullie, jongelui. Misschien binnenkort, misschien iets later. En dat dat werkelijk zo is, weet je misschien ook wel van heel dichtbij…
Mag ik je vragen, jongelui: Als jij moet sterven, waar ben je dan? Wat moeten wij dan van jou denken? Wat moeten we dan over jou zeggen? En, hoe kijk jij dan zelf, vanuit de eeuwigheid, terug op deze tijd? Op al de tijd die je had, om de Heere te zoeken? Op al die momenten, dat de Heere hier in de kerk en thuis en op school klopte op de deur van je hart?
Zal je slaapkamer dan je stille getuige zijn, dat je heel vaak je knieën gebogen hebt om de Heere ernstig te zoeken? Zal de Heere Zelf dan je Getuige zijn, dat je Hem ijverig gezocht hebt? Zal het doopwater op je voorhoofd dan schitteren, als drager van de vervulde belofte: Hij of zij die Mij vroeg zocht, heeft Mij gevonden?
Als dat zo is, dan zullen we aan je terugdenken met tranen. Maar ook met zekere hoop. Want veel beter dan dit tijdelijke leven is de hemelse heerlijkheid. Bij de Heere te zijn, is verreweg het beste. Dan zullen we weten dat je voor altijd, dat je voor eeuwig gelukkig bent. Dan zullen we je in vrede te rusten leggen in de slaapkamer van een geheiligd graf.
Maar als dat niet zo is? Wat dan? Als je je tijd hier voor anderen dingen gebruikt hebt? Als je de Heere nooit gezocht hebt? Jongeren, dan loopt het niet goed met je af. Ik zeg het eerlijk tegen je, want ik ben medeverantwoordelijk voor je toekomst. Dan kom je voor eeuwig om. De kinderen van het Koninkrijk, met een gedoopt voorhoofd, zullen geworpen worden (zegt de Heere Jezus) in de buitenste duisternis.
Bespaar dat jezelf. Bespaar dat je familie en vrienden. En dus: bereid je voor op het moment dat je sterven gaat. Zoek de Heere, je zult Hem vinden. Echt waar! Ga dan de Heere toch zoeken! Met de Heere ga je zo’n gelukkig leven tegemoet. Maar zonder God kom je voor eeuwig om.
Volwassenen, ouderen, bent u voorbereid op het moment dat u sterven moet? Waar komt u dan terecht? Dat is de belangrijkste vraag van uw leven. Ja, ik snap het, u wilt die vraag misschien liever wat subtieler gesteld zien, maar ik vraag u: Gaat u dan naar de hemel? Of gaat u dan naar de hel? Die vraag moet u niet wegduwen. Daar moet u antwoord op geven. Want al heel snel kunt u staan…, voor God. En wat dan…? Als dan blijkt, dat u daar alleen staat, zonder Borg?
Nee, u zult het niet durven. U zult de moed niet hebben om te zeggen, wat u nu vaak zegt en denkt: ‘Ik heb het zo druk. Ik heb geen tijd. Trouwens, ik kan mezelf ook niet bekeren.’ Of (ja, er zijn zelfs mensen die dat durven zeggen): ‘Ja, maar ik heb de Heere mijn leven lang gezocht, maar ik heb Hem tot nu toe nooit gevonden.’
Dat is niet waar. U liegt. Of God liegt. En dat kan niet. Dus dan liegt u. Want als u de Heere zo gezocht had, dan had u Hem nu echt wel gevonden. Jongelui, geloof dat soort verhalen niet. Als je de Heere zoekt, dan zal je Hem echt vinden!
Maar lieve vrienden, als u zo sterven moet, hoe moet dan toch met u? Als u zult staan voor de rechtvaardige God? Die betaling zal eisen van uw hemelhoge schuld? Die u hier een leven lang de weg wees om uw welverdiende straf te ontgaan? Tot u zal gezegd worden: U wilde niet. U werd genodigd, maar u kwam niet. U verachtte de aanbieding van Mijn genade. U verachtte het bloed van Christus. U wilde niet dat Hij over u Koning zou zijn. Gaat weg van Mij. Uw loon, de betaling voor uw zonden, is… uw eeuwige dood.
Onbekeerde vrienden, we kunnen nu nog tranen huilen, als we denken aan uw eeuwige ondergang. Maar dan zullen we zeggen (wat we ons nu nog niet kunnen voorstellen): ‘Amen, Heere. U hebt gelijk. Ze hebben Uw liefde veracht. Ze hebben het bloed van Uw Zoon vertrapt.’
Maar nu nog niet. Nu is het gelukkig nog niet zover. Wij bidden u van Christus’ wege, namens Hem: Denk na over uw toekomst. U bent op weg naar de eeuwigheid. Laat uw kostbare tijd toch niet voorbijgaan. Bereid u toch voor op het uur van uw dood, op het moment van uw staan voor God. Laat u toch met God verzoenen!
Er is een Zaligmaker beschikbaar, ook voor u. Voor u allemaal! Een Zaligmaker Die Zijn leven heeft afgelegd, gestorven en begraven is voor mensen zoals u en ik. Ga naar Hem toe. Zoek Hem. Vlucht tot Hem. Belijd Hem uw zonde en schuld. U bent echt meer dan welkom aan Zijn voeten.
Terug naar vraag en antwoord 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven? Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven. Voor ons, kinderen van God, geliefde medechristenen, is de dood anders. Nee, we verlangen niet op een ongezonde manier naar onze dood. Want het leven en de liefde van de mensen zijn ons kostbaar. En we hebben een taak op de aarde zolang de Heere dat wil. Maar wat zijn dit woorden vol troost. Voor dit leven. En ook voor als we (in alle aanvechting, zoals staat in antwoord 44) staan voor de poort van de dood.
Onze dood is geen betaling meer. Want alles, alles is voldaan. Onze rekening is betaald. Wij worden van sterven echt beter. Het kan je veel verdriet doen, als je ernstig ziek bent en weet: ik kan hier niet meer beter worden. Maar wat een troost, als je weten mag: ik zal door mijn sterven uiteindelijk toch beter worden.
Mijn dood is niet mijn bittere einde. Het wordt het begin van mijn eeuwige vreugde. Dan zal God mijn druk voor eeuwig verwisselen in geluk.
Mijn dood is wel verlies van aardse betrekkingen, van man of vrouw, van kinderen en kleinkinderen (als u die hebt) – maar het is toch winst! Want mijn dood zal het einde zijn van al mijn aanvechting en strijd, van al mijn pijn en verdriet, van alle minachting en laster. Maar vooral: mijn dood zal het einde zijn van al mijn zonden.
Dan hoef ik nooit meer te zondigen. Dan heb ik nooit meer last van mijn zondige hart. De dood is voor mij (zegt de Catechismus) een doorgang. Die de deur voor me zal opendoen om in te gaan in de hemelse heerlijkheid. De dood zal mij voor eeuwig werpen in de armen van Christus. De dood heeft voor mij zijn prikkel verloren. Want de prikkel van de dood is de zonde. En de zonde is betaald. En dus is de dood gestorven. Na mijn sterven zal ik huppelen van zielevreugd, omdat ik eindelijk mijn wens verkrijgen zal.
Dan zeg je niet: ik moet sterven, om te betalen. Terwijl je tot in eeuwigheid nooit betalen kan. Dan zeg je: ik mag sterven. Het zou een vloek voor me zijn, als ik hier altijd moest blijven. Zeker, het leven trekt aan me, mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn kleinkinderen, zij die me liefhebben, houden me vast. Maar het is veel beter om ontbonden te zijn en met Christus te zijn. Dat is verreweg het beste. Mijn leven was Christus, en nu: mijn sterven is winst!
Of…? Of zou u liever voor altijd hier in [plaatsnaam] willen blijven? Gezellig met elkaar… Zo fijn! Vastgeplakt aan het leven van nu, aan de dingen van hier? Je kan beter vreemdeling zijn, hoor, op reis naar het Vaderhuis. Want het echte leven, liefhebben en loven is daar waar we Jezus zien. Hier en nu zien we Hem door het geloof. En dat trekt ons hart naar boven. Maar straks zien we Hem echt, van aangezicht tot aangezicht in de hemel.
Kinderen van God, er komt een einde aan onze eenzame reis door deze aardse woestijn. Straks is alles voorbij. Dan is de zonde voorbij. Die komt nooit meer terug. Dan mogen we eeuwig bij de Heere zijn.
Maar, gemeente, de vrucht van het offer en de dood van de Heere Jezus aan het kruis is niet alleen voor straks. Die is ook voor nu.
En dus zegt vraag 43: Wat verkrijgen wij meer (is er nog meer?) voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis? Het antwoord zegt: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.
Onze oude mens… Die altijd iets anders wil, dan dat God wil. Waardoor we maar niet kunnen leven tot Gods eer. Onze oude mens, die ons verdrietig stemt, die ons zoveel zorgen baart. Waren we dat deel van onszelf maar kwijt! Want het goede dat ik doen wil, dat doe ik niet. En het kwade dat ik niet wil, dat doe ik wel. Wat ben ik toch een ellendig mens. Hoe raak ik toch verlost van die oude mens?
Hoe? De Catechismus zegt: door de kracht van Christus. Door Zijn kracht gaat die oude mens het toch verliezen. Die oude mens (die overgebleven zonden, die verkeerde verlangens, die verkeerde karaktereigenschappen), die oude mens wordt door de kracht van Christus met Hem gekruisigd, gedood en begraven.
Het valt op dat de Catechismus niet zegt: Die is, maar die wordt gekruisigd. Die oude mens, die wordt (net als de Heere Jezus) aan het kruis geslagen. Die moet sterven.
Kinderen van God, vergis u niet. In twee opzichten. a. Denk niet dat je oude mens al gestorven is. Er is hier op aarde geen volkomen heiligheid. We blijven ons hier schamen voor onze zonden. En we blijven hier treuren om onze zonden.
b. Maar denk ook niet, dat je oude mens verder leven mag. Die móet een pijnlijke dood sterven. Met Hem gekruisigd, gedood en begraven. Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst (Kol. 3:5Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.). Door de kracht van Christus. Want zo alleen, zegt de Catechismus: zullen de boze lusten van ons vlees (onze zondige gedachten en verlangens) niet meer in ons regeren. Zij zullen niet meer de baas zijn. Wie dan wel? De Heere Zelf. Want Die regeert in het hart van Gods kinderen. Hij zit op de troon van ons hart.
En zo, zegt de Catechismus, zullen wij (door Zijn kracht) onszelf aan Hem tot een offerande van dankbaarheid opofferen. Dan gaan we uit dankbaarheid om wat God gaf en in Zijn kracht: Hem dienen en voor Hem leven. In heiligheid en oprechtheid. En tot Zijn eer. Zoals de apostel Petrus schrijft: niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die tevoren in uw onwetendheid waren; Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelven heilig in al uw wandel. Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petr. 1:14-16Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren; Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel; Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.).
Heilig leven, heilig wandelen dus. Dan gaat God je leven regeren. Dan wordt je leven voor Hem. Als offer van dank.
Dan wordt het je hartelijke lust, het liefste wat je doet, om de Heere te dienen. Hoewel je de zonde hier op aarde nog niet definitief overwinnen zult. Nog één vraag en één antwoord. In ons vierde punt:
Vraag 44 zegt: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle? Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
Wat betekent dat? Dat ‘nedergedaald (naar beneden gegaan) in de hel?’ Niet dat de Heere Jezus op de plek van de hel is geweest. Deze laatste trap van de vernedering van de Heere Jezus is niet de laatste geweest wat tijd betreft, maar vooral de diepste wat de ernst van Zijn lijden betreft. De Catechismus zegt eigenlijk: De Heere Jezus heeft geleden wat daar geleden wordt.
Trouwens niet zomaar even, maar in Zijn hele lijden. Maar vooral in Gethsémané, en vooral aan het kruis. In Gethsémané, toen Zijn discipelen sliepen en wegvluchtten. Waar Zijn lijden zo zwaar was, dat Zijn zweet werd als grote stolsels bloed. Zoveel angst, zoveel benauwdheid en lijden was er in Zijn ziel, dat Hij zei: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.
Maar vooral toen Hij hing aan het kruis. Vooral toen het drie uur lang helemaal donker was. Toen de Heere Jezus verlaten werd door Zijn Vader. Hij riep het uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
De Catechismus noemt het: benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling. Zoals het is in de hel. Dat droeg Hij. Dat onderging Hij. En dat, zegt de Catechismus, heeft mijn Heere Jezus Christus, voor mij gedragen. Dat droeg Hij in mijn plaats. Deed Hij voor mij. Opdat ik nimmermeer door God verlaten zou worden.
a. En dat, zegt de Catechismus, vertroost mij. Dat is mijn troost. Niet alleen voor straks, maar ook voor in dit leven. Voor als ik soms ook iets voel in mijn hart en leven van: verlaten zijn. Voor als ik zucht met David in Psalm 13: Hoe lang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? (Ps. 13:2) Heere, waar bent U? Ik zie U niet meer. Ik voel U niet meer. Hebt U mij soms verlaten? Dan is dit mijn troost: Dat mijn Heere Jezus Christus verlaten werd voor mij. Opdat ik nooit echt door God verlaten zou worden.
b. Opdat (zegt antwoord 44) in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn lijden mij van de (echte) helse benauwdheid en pijn verlost heeft. Wonderlijk! In de diepte van de hoogste aanvechting, vind ik troost en… zekerheid. Wat er ook gebeurt. Wat de duivel ook tegen me zegt. Wat mijn eigen hart ook zegt. En zelfs als de Heere Zijn aangezicht voor mij verbergt.
Dan? Dan mag ik als arme zondaar bukkend aan de voet van het kruis naar boven kijken. En zeggen: Mijn Heere Jezus Christus (hoewel ik niets meer voel), ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp. Ik geloof de gewisse belofte van God, dat U, mijn Heere en Zaligmaker, door dit Uw ondraaglijke lijden in helse angst, mij daarvan verlost hebt. Dat U dat ook deed en droeg voor mij.
Mijn zekerheid, mijn troost ligt in U, mijn gekruisigde Heere en Zaligmaker. U bent om mijn overtredingen verwond. Om mijn ongerechtigheden bent U verbrijzeld. De straf die mij de vrede aanbrengt, was op U. En door Uw striemen is mij genezing geworden. En daarom is er nu voor mij -die geborgen ben achter Uw bloed-, geen verdoemenis meer. ‘Mijn Heere Jezus Christus, U alléén bent mijn troost en zekerheid.’
Amen.
Slotzang Psalm 56:6:
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor de dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven; Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven; 'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven; Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven; Zo word' Zijn lof vergroot.
Andere preken over Zondag