Zondag 17 · 2 maart 2025
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 17 (serie 2)
INLEIDING
Zondag 17 gaat over het nut van de opstanding van Christus. Door Zijn opstanding heeft Hij de dood overwonnen, zodat Hij de gerechtigheid die Hij verdiende ook kan toepassen — dat is het eerste nut: deelachtig maken. Het tweede: ook Gods kinderen worden door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven, met nieuwe liefde tot God en Zijn Woord. En het derde: Zijn opstanding is een zeker pand van de eigen zalige opstanding — de dood is voorgoed zijn prikkel kwijt.
Het nut van de opstanding van de Heere Jezus Christus
ZONDAG 17
Vraag 45: Wat nut ons de opstanding van Christus?
Ten eerste, heeft Hij door zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood ons verworpen had, kon deelachtig maken.
Ten andere, worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 17
THEMA
Het nut van de opstanding van de Heere Jezus Christus
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, jongelui, het gaat vanmiddag in de Catechismuspreek over de opstanding van de Heere Jezus Christus. Hij was gestorven en begraven. Daarover ging Zondag 16. Maar op de derde dag is Hij weer opgestaan. En nu leeft Hij in alle eeuwigheid. Zoals we dat zojuist lazen uit Openbaring 1. Laten we daar samen nog even naar kijken, voordat we naar de inhoud van Zondag 17 gaan.
We lezen in Openbaring 1:17-18: En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet! Ik ben de Eerste en de Laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods
Ik ben – dat is het eerste Ik ben – de Eerste. Christus is de Eerste, de Schepper en ook de Herschepper. En Ik ben ook Degene Die alle dingen tot vervulling, tot voltooiing zal brengen. Als: de Laatste. En in de tussentijd zal Hij nooit laten varen het werk van Zijn handen. Ik ben de Eerste en de Laatste.
En (vers 18) Die leef! Letterlijk: de Levende. Ik heb het eeuwige leven in Mijzelf. Ik ben – het tweede Ik ben – dood geweest. Mijn dood was een feit, een historische werkelijkheid. Ik ben gestorven en begraven. Laat daarover geen twijfel bestaan. En zie! Het klinkt als een uitroep van overwinning. En zie, Ik ben – het derde Ik ben – levend in alle eeuwigheid. Onsterfelijk, onoverwinnelijk! En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood. Die machten heb Ik door Mijn opstanding overwonnen. Die machten zijn nu in Mijn hand.
Woorden, onbekeerde vrienden, die je hoop willen geven. Er is een levende Zaligmaker voor je beschikbaar. Een Die dood geweest is en eeuwig leeft. Die alles gedaan heeft wat nodig was. Die alle macht heeft, zelfs over de machten van de hel. Zou je je hart, je verloren hart, niet aan Hem geven?
Woorden, kinderen van God, die ook ons hoop willen geven. We hebben een onveranderlijke, machtige Zaligmaker. Hij verschijnt hier aan Johannes als de opperste Koning, vol heerlijkheid en glorie. Kijk naar vers 17: En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten. Vol heerlijkheid en glorie – maar niet onbewogen met zijn hart, en met ons hart. Want vers 17b vervolgt: en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste.
Onze Heere in de hemel verstaat als geen ander de kunst van troosten, opbeuren en helpen. Hij kán, na Zijn heengaan naar de hemel, Zijn kinderen niet ongetroost laten. Hij kan Zijn werk niet loslaten. Hij moet het afmaken. Hij kan Zijn beloftewoorden niet vergeten. Hij moet ze vervullen. Hij kan degenen die op Hem wachten niet beschaamd maken. Hij moet ze te hulp komen. Want Hij is de Eerste, en de Laatste.
Dat zien we vanmiddag ook bij de behandeling van Zondag 17. Zondag 17 gaat over het vijfde artikel van de Twaalf Artikelen: Ten derden dage wederom opgestaan van de doden. De Heere Christus Zelf is opgestaan uit de dood. En God de Vader heeft Hem opgewekt uit de dood. Dat is een feit. Dat is ons algemeen ongetwijfeld geloof. Dat wil zeggen: daar hoef je niet aan te twijfelen, daar mag je niet aan twijfelen.
Want de levende Christus Zelf zegt: Ik ben de Eerste en de Laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Dat is helder, toch? Geen twijfel mogelijk. Maar…, wat hebben we daar eigenlijk aan? Dat we dat geloven? Wat betekent dat voor onszelf persoonlijk? Of wat zou dat voor ons moeten betekenen? Daarover gaat Zondag 17 van onze Catechismus. Laten we die Zondag 17 samen gaan lezen. Vraag en antwoord 45:
Vraag 45. Wat nut ons de opstanding van Christus? Ten eerste: heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven (voor ons verdiend) had, kon deelachtig maken. Dus het eerste nut is, wat de Catechismus noemt: deelachtig maken Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Het tweede nut is: nieuw maken En ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding. Het derde nut is: zeker maken.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Het nut van de opstanding van de Heere Jezus Christus
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Deelachtig maken 2. Nieuw maken 3. Zeker maken Als eerste dus:
De Catechismus zegt (daar begint het mee): Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen. Dat heeft niemand ooit gekund. Maar Hij heeft het gedaan. Het leek alsof de dood Hem had overwonnen, toen Nicodemus en Jozef van Arimathea Hem begroeven. Maar Hij was sterker dan de dood. Toen Hij de dood overwon en opstond als de Levende.
En waarom was dat? Waarom deed Hij dat? De Catechismus zegt: Hij had daarvoor iets verdiend. Hij had gerechtigheid verdiend. Dat wil zeggen: Hij had de prijs voor de zonde van Zijn volk betaald. Hun schuld was uit Gods boek gedaan. Omdat Hij Zijn leven lang aan al Gods geboden gehoorzaam was geweest. Omdat Hij Zijn leven lang geleden had, vooral aan het einde van Zijn leven. En vooral omdat Hij Zijn leven aan het kruis had gegeven. Daardoor was de hitte van Gods toorn, van Gods gramschap, voor al de Zijnen geblust. Daarmee was de prijs betaald, van de rekening die geen mens ooit kon betalen. Hij betaalde die, niet met goud of zilver, maar met de prijs van Zijn kostbare bloed.
En, jongens en meisjes, wat krijg je dan, als je een rekening betaald hebt, met contant geld of digitaal? Een bewijs van betaling. Een mailtje of een papier, waarop staat: Is betaald! Of: Is voldaan!
Zo krijgt de Heere Jezus met Pasen ook een bewijs van Zijn betaling. Een engel, gestuurd door God de Vader, doet het graf open en zegt daar als het ware mee: ‘Het is goed. Wat U deed en leed is genoeg. Uw betaling is door de Vader aanvaard.’
Het is de Vader Zelf, Die dan zegt: ‘Het is goed, Mijn Zoon. Alles is betaald. De schuld van Uw volk is uit Mijn boek weggedaan. Ik laat het graf voor U openen. Want het is genoeg!’
Het is genoeg. Maar, zegt de Catechismus: het werk van de Heere Jezus was daarmee nog niet klaar! Dus: Wel genoeg, maar nog niet klaar. Want stel je nu voor, dat de Heere Jezus alles had verdiend. En dat Hij nu vanmiddag tegen u zou zeggen: ‘Verder moet u het zelf maar doen. Mijn deel zit erop. Mijn deel is klaar. De rest is voor u. Nu moet u zelf maar gaan geloven. Nu moet u zelf maar naar God toe gaan. Nu moet u er zelf maar voor zorgen, dat u één wordt met Christus.’
Zou het dan goed komen met u, met jou, met mij? Met mij in ieder geval niet. En volgens mij met u en jou ook niet. De Heere Jezus zegt Zelf in Johannes 6:44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. De Kanttekening bij de Statenvertaling zegt: Dat is, tenzij dat Hij dengene die van nature onbekwaam en onwillig is, door de krachtige werking van Zijn Heilige Geest daartoe bekwaam en willig maakt. Later in Johannes 6:65 zegt de Heere Jezus het nog een keer: En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.
Dus: Niemand gaat van zichzelf ooit kiezen voor of komen tot Jezus! Daar is iets voor nodig, wat wij niet hebben, wat wij niet kunnen. Een krachtig werk van Heilige Geest.
Ja, ik snap het, dat is een vernederende boodschap. Die toen en die ook nu op veel verzet stuit in mijn en in uw hart. Want dit schakelt mij uit. Dit zet mij opzij. Het is ook niet voor niets dat één vers later, in Johannes 6:66, staat: Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. Als het zo is, dan hoeft het niet meer van ze.
Maar de Heere roept ons toch ernstig op tot bekering? De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes. 55:7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.). Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ezech. 33:11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?) Gij slechten, hoelang zult u de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken (Spr. 1:22-23Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.).
De Heere roept ons toch ernstig op tot bekering? Is dat dan wel oprecht? Ja, dat is het! Is dat dan wel echt gemeend? Ja, dat is het zeker!
Maar het probleem zit hier! Bij mij, bij u, bij jou. Dit hart wil niet. Dit hart is van nature dood, geestelijk dood door de misdaden en de zonden. Dood, door dat wat ik zelf gedaan heb. En ik ben niet in staat om mezelf door die dood heen tot leven te wekken.
Daar kan je tegenin gaan, daar kan je op mopperen, dat kan je graag anders willen zien. Maar…, dat kan je maar beter eerlijk erkennen en belijden.
Je kan maar beter stoppen om je leven, je zaligheid en je geloof bij jezelf te zoeken. Je kan ‘t maar beter buiten jezelf gaan zoeken. Bij de Heere Jezus Christus.
Want, als het van ons afhing, zou er nooit meer iets van ons terecht komen. Maar Christus doet, wat wij nooit meer kunnen. Wat? Dat wat Hij verdiende ook toepassen, ook geven aan verloren mensen. En denk nou niet, dat je met die vaststelling slechter af bent, vergeleken met de situatie waarin je het zelf zou moeten doen. Want de Heere kan het niet alleen doen, maar Hij wil het ook doen! Je dode ziel tot leven wekken. Alles wat Hij verdiende, toepassen aan een geestelijk dood en verloren hart. De Catechismus zegt: de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood voor ons verworven had, ons deelachtig maken.
a. Gemeente, dat wil hoop geven aan dode zondaars! Ga het niet zelf proberen. Ga niet weg, zoals zoveel discipelen destijds, die niet meer met Jezus wilden wandelen. Ga niet weg, maar ga naar Hem toe. En vraag en bid en smeek Hem: ‘Heere, ontferm U over mij! Ik ben dood, maakt U me toch levend? Drup Uw levendmakende en verzoenende bloed toch ook op mij?’
Onbekeerde vrienden, twijfel niet aan de wil en aan de macht van Christus! Er is nog nooit iemand met belijdenis van schuld en met gebed om genade tevergeefs gevallen aan Zijn voeten. Ga het niet zelf proberen, wanhoop niet, loop niet weg, maar kom!
Je kan het niet kiezen. Maar laat je dat niet irriteren, want je kan het uit genade krijgen! Dit wil hoop geven aan dode zondaars. Het is nog niet te laat. Maar wel bijna… Maak haast!
b. En dit wil ook onderwijs en troost geven aan al degenen, die de Heere door genade mogen liefhebben en dienen. Onze Heere deed en doet geen half werk. Hij liet de helft ervan niet aan ons over. Hij wil en zal alles doen. En dat is geen reden om lui te worden of af te wachten. Dat is reden om al onze hoop en verwachting op de Heere alleen te stellen. Die beloofd heeft door de mond van Ezechiël: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (36:26).
Hij, Die ons liefgehad heeft en liefheeft tot het einde, Hij zal niet rusten totdat Hij alles heeft gedaan. Totdat Hij ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben. Hij zal niet alleen Zijn werk voor ons, maar ook Zijn werk in ons voltooien. En dus past ons het gebed, wat we samen gaan zingen: Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron.
We gaan het samen zingen uit Psalm 138:4: Als ik, omringd door tegenspoed, Bezwijken moet, Schenkt Gij mij leven; Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand Zal redding geven. De HEER is zo getrouw, als sterk; Hij zal Zijn werk voor mij volen-den, Verlaat niet wat Uw hand begon, O Levensbron, Wil bijstand zenden. - - - - -
De opgestane Heere Jezus gaat dat wat Hij verdiend heeft, ook toepassen in harten van mensen. Door mensen in wie Hij werkt ook op te wekken tot een nieuw leven. Dat zien we in ons tweede aandachtspunt:
Want de Catechismus zegt: Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Door de kracht van Zijn opstanding, gaat Hij de Zijnen ook opwekken uit hun dood. Uit hun geestelijke dood.
Want dat, gemeente, jongens en meisjes, is van nature de werkelijkheid van ons leven, van het leven van ons allemaal. Wij leven, als levende mensen. Maar in onze verhouding tot God zijn we geestelijk dood. Zoals Paulus zegt: dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1). En dus zijn we uiterlijk misschien wel netjes en godsdienstig, maar in ons hart hebben we van onszelf niets met God.
Maar, zegt de Catechismus, nu gaat God wonderen doen. Nu gaat de opgestane Christus ook de Zijnen opwekken uit hun geestelijke dood. Hij zegt: Ik leef, en u zult (ook) leven! En dat doet de Heere door Zijn Woord en Geest.
En dan? Jongens en meisjes, wat gebeurt er dan? Als de Heere je opwekt uit je geestelijke dood? Als Hij je hart levend maakt, als Hij je hart nieuw maakt? Dan kan je ineens, wat je voorheen niet kon. Dan kan je ineens zien, dan kan je ineens horen, dan ga je ineens luisteren. Dan pas zie je, wat er met je aan hand is. Dat je de Heere kwijtgeraakt bent. Dat je leeft zonder God. Dat je in al die jaren hiervoor zoveel zonde tegen God gedaan hebt. Dat je sterven moet, en dat je met je verloren leven niet sterven kan. Dan ga je voor het eerst echt de Heere zoeken.
Waarom? Omdat Hij jou gezocht heeft. Omdat Hij je een levend hart gegeven heeft. En gelukkig, met dat werk waarmee Heere in je hart begonnen is, gaat Hij ook door. Hij is immers niet alleen de Eerste, maar ook de Laatste, de Alpha en de Omega.
Want dan moet je nog veel leren, je leven lang. Vooral dat je dat zoeken niet op verkeerde plek moet doen. Want wij zijn zo geneigd om allerlei dingen bij onszelf te zoeken. Het kost ons zoveel moeite om toe te geven, dat er uit ons nooit meer iets goeds kan komen. Want dat is zo vernederend voor ons trotse en hoogmoedige hart.
Maar de Heere gaat het ons in liefde leren. Dat uit ons geen goed meer komt. Dat we uit onszelf midden in de dood liggen. Dat is een pijnlijke les. Maar wel een les die we nodig hebben. Zodat we Paulus leren nazeggen: Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Rom. 7:18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.). Al dat goede, wat ik nodig heb, ligt buiten mij, in de Heere Jezus Christus. Dat wil de Heere ons leren: zoek het nu niet meer, zoek het nu nooit meer in jezelf. Zoek het niet in je eigen goedgelovigheid, in je goede werken, in je tranen, in je berouw. Maar zoek je leven in Christus, in de Levende, in de opgestane Zaligmaker. En leer zo, door het werk van de Heere in je hart, Paulus nazeggen: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2:20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.).
Dan blijft er geen plaats over voor trots, alleen maar voor verwondering en aanbidding. Want alles, wat er in mijn leven veranderd is, is niet door mij veranderd, het is alleen door Hem: Hij leeft in mij. Hij heeft in mij, die met God gebroken had, een nieuwe levende band met God gelegd. Waardoor ik dagelijks alles van Hem verwachten mag.
Dat brengt ons dus nooit, gemeente, tot een zelfverzekerd, tevreden leven. Zo van: ‘Ik leef, en dus zit het gewoon goed met mij’. Nee, dat geeft een klein, afhankelijk, biddend leven. Dan ga je en blijf je de Heere zoeken. Want dan kan je alleen maar leven door en dankzij Hem. Die dagelijks mijn liefde tot de zonde moet breken. Die me dagelijks moet brengen tot nieuw leven met Hem. Die dagelijks mijn dwalende hart moet vastknopen aan Hem.
Alleen zo, wordt in Zijn kracht, mijn oude leven met Hem gekruisigd. En leer ik leven door het geloof des Zoons Gods, zegt Paulus, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft (Gal 2:20). Laat de wetenschap, dat alles uit Hem, door Hem en tot Hem is, geliefde gemeente, een einde maken aan alle zelfgenoegzaamheid. Zo kan je niet leven! Je kan alleen maar leven, als je iedere dag mag bedelen bij de Bron. Je kan alleen maar leven, als je dagelijks drinken mag op de plaats waarvan de dichter zingt: Bij U, Heere, is de Levensbron. Bij U, Die de dorstige te drinken geeft van het water des levens om niet.
Levend gemaakt, opgewekt uit de dood… En daarna, zegt de Catechismus, worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Dus twee dingen, als het gaat om dagelijks leven met de Heere. Eerst zei de Catechismus in Zondag 16: Onze oude mens moet afsterven. Dat oude deel. Ons trotse, hoogmoedige hart. Dat sterft een langzame dood. Onze oude mens wordt gekruisigd. En nu zegt Zondag 17: Diezelfde mens wordt ook opgewekt, uit de dood tot een nieuw leven.
Dus, wat betekent het om kind van God zijn? Twee dingen. Dat betekent dat de Heere in je leven gekomen is en je geestelijk levend gemaakt heeft. Zodat je de dood bent gaan zien in jezelf, en het leven bent gaan zoeken buiten jezelf, in Christus. En dat betekent ook, zegt Paulus: dat je vanaf die tijd een nieuw leven bent gaan leven.
Paulus zegt het zo in Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist (mijn oude, zondige mens hangt aan het kruis) en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Hij maakt mijn leven nieuw. Dat is dus geen prestatie van jezelf. Want Wie zorgt daarvoor? Wie doet dat? Niet ik, maar God! Gelukkig maar, want anders kwam er niets van terecht. God wekt nieuw leven in mij. Door de kracht van de Heere Christus krijg ik kracht om voor God te leven. Zoals de Heere Zelf zegt: Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos. 14:9Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden.).
Dus goed onthouden, jongens en meisjes, bij een nieuw hart, hoort een nieuw leven. Een nieuw leven met een nieuwe levensadem. Met de nieuwe levensadem van verborgen gebed. Met nieuwe liefde tot het Woord van God. Omdat dat Woord, hoewel ik voel dat ik alles mis, mijn hart en zinnen strelen kan. Met nieuwe liefde tot God. Want ik kan zonder Hem niet meer leven. Met een nieuwe droefheid ook, die ik tevoren nooit gekend heb. Met een droefheid naar God gericht over mijn zonde. Met nieuwe liefde ook tot al Gods geboden. Waarmee ik zeg: ‘Hoe lief heb ik Uw wet.’
Het oude is voorbijgegaan, alles wordt nieuw. Alles! Nieuwe gedachten, nieuwe voorliefdes, nieuwe voorkeuren, nieuwe verlangens. De zonde doet me verdriet. De richting van mijn oog gaat niet meer naar de wereld, maar wordt gericht op God.
Ja…, en tegelijkertijd is er meer dan ooit de zucht: Was dat altijd maar zo. Daar moet het wel naar toe. Dat mijn hart vastkleeft aan de Heere. Maar de bezorgd makende werkelijkheid is: Hoe kleeft mijn ziel aan het stof. Want, die oude mens die wil anders, die wil precies de andere kant op. Want, zegt Paulus, het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Rom. 7:19).
Hoe moet dat verder? Hoe komt dat ooit goed? Als Christus Zijn werk doet in ons hart. Als Hij niet alleen Zijn dood, maar ook Zijn leven toepast aan onze ziel. En wij door Zijn kracht opgewekt worden tot een nieuw leven. Door de vereniging met Christus, door de levende band van het geloof, aan Hem verbonden, sterft onze oude mens. En alleen zo wordt onze inwendige mens vernieuwd van dag tot dag (2 Kor. 4:16Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.).
Is dat kwestie van zelf doen? Of, is dat (helemaal tegenovergesteld) een kwestie van afwachten? Nee! Dat vraagt om een dagelijks biddend en afhankelijk leven. Levend dichtbij het Woord van de Heere. Levend in verborgen gebed: ‘O, Zoon, maak me Uw beeld gelijk! Gun leven uit U aan mijn ziel!’ Dat vraagt erom, dat door Gods genade de levende band met God in Christus wordt onderhouden.
Een band, die verslapt, die ziek wordt, die doodziek wordt, als we leven in de zonde. Daarom is er, kinderen van God, geliefde medechristenen, de dringende oproep van de apostel Judas: Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven (Jud. 1:21Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.). Daarom is er de dringende oproep van de apostel Petrus: Want hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zoudt navolgen. Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent (1 Petr. 2:21Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;, 24).
Met andere woorden, als u nu als kind van God genezen bent door de striemen van de Zaligmaker, Die leed en stierf in uw plaats, dan bent u geroepen Zijn voetstappen na te volgen. In heilige wandel en godzaligheid. In ootmoed, in zelfverloochening, in vergevingsgezindheid, in vriendelijkheid en gastvrijheid. Barmhartig, geduldig, eerlijk, oprecht, zuiver en rein. Dan bent u geroepen tot een nieuwe levenswandel. Dan bent u geroepen om een zichtbare volgeling van Hem te zijn, als dank voor zoveel liefde.
En dus worden we opgeroepen om te breken met de zonden van deze tijd. Zonden, waarvan we best wel weten dat ze botsen met Gods geboden. En dus worden we ook opgeroepen om te breken met onze gerichtheid op de dingen van deze tijd.
Want de opstanding ziet uit naar de hemelvaart. Zoek dus, kinderen van God, de dingen die boven zijn, waar Christus op u wacht. Want wij zijn (zegt Paulus in Efeze 2) Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Ons leven nieuw, ons leven heilig gemaakt, door de kracht van Christus.
Ons derde aandachtspunt:
Want omdat de Heere Jezus opstond uit de dood, daarom is er nog iets voor Gods kinderen. De Catechismus zegt: Ten derde is voor ons de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding. Een pand, een garantie die ons zeker maakt van die zalige toekomst.
Gemeente, iedereen van ons moet ooit sterven. De dichter van Psalm 89 zegt: Wat man leeft er, die de dood niet zien zal (Ps. 89:49)? Iedereen van ons moet ooit sterven. En iedereen van ons zal ook opstaan op de dag van de opstanding der doden. Maar…, alleen voor Gods kinderen is er (zegt de Catechismus) een zalige opstanding.
Bedenk dat, geliefde gemeente, terwijl de rouwklagers ook in [plaatsnaam] rondgaan. Wie zonder God geleefd heeft, zal opstaan (zegt de profeet Daniël) tot eeuwige afgrijzing, tot eeuwige walging (Dan. 12:2En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.). Want, zo zegt de profeet Jesaja, want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen (Jes. 66:24En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen allen vlees een afgrijzing wezen.).
Maar voor ons, die door Gods genade mogen leven van het leven van de Zaligmaker, voor ons is de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding. Dat de Heere Jezus uit de dood is opgestaan, is een zeker pand, een garantie. Het zal echt zo zijn, het zal echt zo gebeuren! Het lijkt zo moeilijk te geloven. Als je sterft, dan is het toch gewoon voorbij? Als het lichaam van een kind van God, klein of groot, jong of oud, in een graf is gelegd en terugkeert tot stof, dan is het toch gewoon voorbij?
Nee! De opstanding van onze Heere Jezus Christus is onze garantie! Dat we Hem volgen zullen. Zoals Paulus schrijft in 1 Korinthe 15:23Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.: De Eersteling Christus. Hij stond als Eerste op. Daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. Daarna ook wij. Hij zal ons ook opwekken. Want ook onze dood is voor ons door Heere Jezus overwonnen. De prikkel van de dood en van het graf zijn weg, de angel is eruit. Want onze zonden zijn vergeven (1 Kor. 15:56). Ons graf is een slaapkamer, waar ons lichaam stil rust en wacht, tot het moment dat het geluid van de bazuin gehoord zal worden. Dan zal ons graf openbreken. En dan zal, zo zegt Paulus in 1 Korinthe 15, ons lichaam opgewekt worden in onverderfelijkheid en in heerlijkheid. Verlost van alle gebreken. Alle gevolgen van zonde zijn dan weg. Maar vooral de zonde zelf is dan weg. Dan zullen we met lichaam en ziel gelijk zijn aan het verheerlijkte lichaam van Christus.
En dus zegt een stem uit de hemel tegen Johannes in Openbaring 14:13En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. Want, zegt de dichter in Psalm 16: verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk (16:11).
Dat vooruitzicht roept ons, die Gods kinderen mogen zijn, op om verlangend uit te zien naar dat moment waarop we onze lieve Heere, Die ons zo uitnemend liefgehad heeft, zullen ontmoeten. Blij vooruitzicht. We zullen Hem zien, en niet een vreemde. Hij, Christus, zal voor eeuwig voor ons het middelpunt van de hemel zijn.
Dat vooruitzicht roept ons, kinderen van God, op om niet zo gehecht te zijn aan de dingen van nu, aan de dingen van de aarde. Want die gaan voorbij. En dus zegt Paulus in Kolossenzen 3:1-3Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.: Indien u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
Dat zalige vooruitzicht dringt ons ook door de kracht van Christus tot een heilig leven. En dus zegt Paulus een paar verzen verder: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. (…) legt ook u dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond. Liegt niet tegen elkander, dewijl u uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken (die gekruisigd is!). En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd (die opgewekt) wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft (Kol. 3:5-10).
En dat alles door de kracht van Christus. Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. (Rom. 11:36Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.).
Slotzang Psalm 68:2: Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wens verkrijgen; Hun blijdschap zal dan, onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, Ten hoogste toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eren; Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn naam is HEER’ der heren.
Andere preken over Zondag