PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 18: De hemelvaart (serie 2)

Zondag 18 · 9 maart 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 18 (serie 2)

INLEIDING

Zondag 18 gaat over de hemelvaart van Christus. Met Zijn menselijke natuur ging Hij naar de hemel, terwijl Hij naar Zijn Godheid nooit van Zijn kerk wijkt. Drie dingen geeft dat: Christus is in de hemel de Voorspreker, Die altijd bidt voor Zijn kinderen; Zijn eigen lichaam in de hemel is een zeker pand dat ook Zijn lidmaten volgen zullen; en Hij zendt Zijn Geest als tegenpand, Die het hart naar boven trekt, weg van de aarde, naar Hem toe.

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

KERNPUNTEN

  1. De feiten
  2. De troost

ZONDAG 18

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?
Dat Christus voor de ogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij beloofd heeft?
Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mens is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijn lidmaten, ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 18: De hemelvaart (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 18

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

AANDACHTSPUNTEN

  1. De feiten
  2. De troost

Na Zijn diepe lijden stond de Heere Jezus met Pasen op uit de dood. En daarna gebeurt wat we gelezen hebben in Handelingen 1. Laten we, voordat we gaan kijken naar Zondag 18, daar samen eerst nog even naar terugkijken. Handelingen 1:3: Nadat Hij geleden had, (heeft Hij) Zichzelf levend vertoond met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. Hij heeft Zich aan Zijn discipelen laten zien, met onmiskenbare bewijzen dat Hij leeft.

Vers 6: Zij dan die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten? Wat zijn zij, wat zijn wij onwetend en hardleers gebleven. Wat hebben zij, wat hebben wij blijvend de genade van de Heere nodig en het onderwijs van de Heilige Geest. Van Wie de Heere Jezus zei in Johannes 14: De Trooster, Welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb (Joh 14:26).

Zoals de Heere nu opnieuw belooft in vers 8: Maar u zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaría, en tot aan het uiterste der aarde. En dan, zo schrijft Lukas, zegent Hij hen (Luk. 24:50). En als Hij dit gezegd had (zegt vers 9) werd Hij, al zegenend, opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. Opgenomen, thuisgehaald in de hemel, door Zijn Vader. Maar Hij gaat niet alleen Zelf naar de hemel. In Zijn heengaan draagt Hij in Zijn hart ook Zijn jongeren, Zijn kinderen mee naar de hemel.

En terwijl, jongens en meisjes, de discipelen Hem nakijken in de richting van de hemel, staan er ineens twee mannen bij hen in blinkend witte kleding. Twee vriendelijke engelen, die zeggen (in vers 11): Gij Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. Met andere woorden: Discipelen, op Gods tijd zal Hij terugkomen. En dan buigen ze hun knieën, en wij met hen. En dan aanbidden zij en wij de Heere.

Vers 12 zegt: Toen keerden zij weder naar Jeruzalem. En Lukas schrijft dat ze dat deden met grote blijdschap. Met grote blijdschap…. Dat is bijzonder. Waarom zijn ze zo blij? Omdat ze hun Heere niet kwijt zijn. Hij zal bij hen blijven, zoals Hij beloofd heeft: al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. En Hij zal hen de Heilige Geest, de Trooster sturen. Om hen blijvend te leren en te helpen. En op Gods tijd zal Hij terugkomen. Om ook hen op te nemen in de hemel.

Over die troost gaat Zondag 18 van onze Heidelbergse Catechismus. We gaan die Zondag met elkaar lezen, de vragen en antwoorden 46 tot en met 49.

Vraag 46. Wat verstaat u daarmede: Opgevaren ten hemel? Dat Christus voor de ogen van Zijn jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48. Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden? Ganselijk niet (echt niet!); want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft. Deze drie antwoorden gaan over: de feiten

Vraag 49 Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is. Die antwoord gaat over: het nut.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

We gaan samen letten op twee aandachtspunten 1. De feiten (vanuit de vragen en antwoorden 46, 47 en 48) 2. De troost (vanuit vraag en antwoord 49)

Als eerste dus:

1. De feiten

Antwoord 46 zegt als eerste: Christus is voor de ogen Zijner jongeren van de aarde naar de hemel opgeheven. Wat een tegenstelling, als je terugdenkt aan dat Hij eerst zo diep gebogen heeft. In al Zijn lijden, dat Hij leed voor Zijn volk. Hij leed het lijden, dat wij verdiend hadden. Hij stierf de dood die wij hadden te moeten sterven. Ja, sterker nog, Hij nam ons mee in Zijn dood. Om ons door Zijn opstanding ook mee op te wekken tot een nieuw leven. En nu, nu Hij naar de hemel teruggaat, nu neemt Hij ook Zijn kinderen mee, die Hij zo duur gekocht heeft met de prijs van Zijn Eigen bloed. Hij neemt ze mee naar de hemel.

Wij hadden door onze zonden de hemel dichtgedaan. Maar nu Hij naar de hemel gaat, nu doet Hij de hemel weer voor ons open. Hij draagt ons in Zijn hart mee de hemel binnen. Om tegen Zijn Vader te zeggen: ‘Kijk, Ik, en de kinderen die U Mij gegeven hebt (zie Jes. 8:18).

De hemelvaart, jongens en meisjes, laat ons meer dan ooit zien: Alles is volbracht! De Heere Jezus komt weer thuis bij Zijn Vader. Want Zijn werk is klaar. En Hij brengt tegelijkertijd ook al Zijn kinderen weer thuis bij God. En dus gaat de hemel open met gejuich! Met lof en gejuich van ontelbaar veel engelen. Maar boven alles met gejuich en vrolijkheid van de Heere Zelf (zie Zef. 3:17).

En sindsdien is onze Heere met Zijn menselijke lichaam in de hemel. Hij had het kort geleden nog gezegd tegen Zijn discipelen: Het is u nut (het is nuttig voor u) dat Ik wegga (Joh. 16:7). En ook tegen Maria had Hij het gezegd: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Joh. 20:17). En nu zien Zijn discipelen Hem gaan…

En niet veel later ziet Stefanus Hem inderdaad in de hemel. Oog in oog met zijn vijanden roept hij: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:56). Daar staat Hij. In de hemel! En nog weer later ziet ook Johannes op Patmos Hem in de hemel: het Lam staande als geslacht (Openb. 5:6). Dus is er geen twijfel mogelijk. De Vader heeft Hem thuisgehaald. Als bewijs: Alles is volbracht!

En, zegt antwoord 46: Hij is ons daar ten goede, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. Hij is ons daar ten goede. Dat zagen Zijn discipelen, toen Hij naar de hemel ging. Want Hij zegende hen. Hij breidde zegenend Zijn doorboorde handen, met de littekens van Zijn kruis erin, over hen uit. Hij ging zegenend van hen weg. Totdat zij Hem door een wolk niet meer konden zien.

Maar, Hij is niet veranderd. Hij is nog steeds Degene, Die zegenend Zijn handen uitbreidt over Zijn Kerk. Dezelfde liefde waarmee Hij voor hen leed, diezelfde liefde heeft Hij nog steeds: weergaloze liefde, liefde tot het einde. Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid. Hij is niet veranderd. Hoe het ook gaat in de wereld. Hoe onze weg ook gaat. Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst, met zegenende handen uit de hemel, op hen die Hem vrezen.

Totdat, zegt antwoord 46: Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. Dan geen kribbe meer. Dan geen verachting en lijden meer. Dan geen kruis meer. Maar heerlijkheid, glorie, majesteit en eer. Als Hij als Koning zal verschijnen in heerlijkheid. Ooit blikte de Heere Jezus Zelf vooruit naar dat moment, toen Hij zei: En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid (Matth. 24:30). En Johannes op Patmos zag het profetisch voor zich, toen hij schreef: Zie, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen (Openb. 1:7). En vóór Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand (Matth. 25:32-33).

Aan welke kant zult u dan staan? Aan welke kant zul jij dan staan? Zult u dan horen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth. 25:34)? Of zal tegen u gezegd worden: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u die de ongerechtigheid werkt (Matth. 7:23).

Kunt u Hem dan ontmoeten, gemeente? Zult dan zeggen: Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen (Hoogl. 2:8)? Of gaat u dan roepen: Bergen, val op ons? Heuvels, bedek ons (Luk. 23:30)?

Geliefde gemeente, leef in dat perspectief van de terugkomst van de Zoon des mensen. Want deze wereld en alles wat we hebben, gaat voorbij. U moet eerdaags voor God verschijnen.

Maar, vraagt vraag 47, is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Op de achtergrond speelt de gedachte van Luther, dat de Heere Jezus niet alleen wat betreft Zijn Goddelijke natuur, maar ook wat betreft Zijn menselijke natuur na Zijn hemelvaart overal aanwezig is.

Dus zegt het antwoord: Christus is waarachtig (echt) mens en ook waarachtig (echt) God.

Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op de aarde. Hij is echt in de hemel. Want een mens kan maar op één plek tegelijk zijn. Maar naar Zijn Godheid is Hij wel overal. En dus is Zijn belofte echt waar: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20).

Christus heeft Zijn Kerk niet in de steek gelaten. Voor ons oog kan dat misschien soms wel zo lijken. In ons persoonlijke leven. In dagen van ziekte, van zorg, van verdriet, van eenzaamheid, van moeite en pijn. In dagen van geestelijk donkerheid, twijfel en aanvechting. Ook in ons kerkelijke leven. Waar het besef van de heiligheid van God, van de ernst van de zonde en van de heerlijkheid van Christus steeds minder lijkt worden. En waar de liefde tot de wereld en de hang naar de dingen van deze tijd steeds meer lijken worden. Waar stille Godsvreze en verborgen omgang met God steeds meer plaats lijken te maken voor dode rechtzinnigheid of voor opgewektheid zonder droefheid naar God.

Je kan zorgen hebben over jezelf. En je kan enerzijds zorgen hebben over de kerk, waar je van houdt. Maar er is anderzijds geen reden tot zorg. Want de Heere zorgt. Voor Zijn kerk. De kerk is niet van ons. Dat geeft iets van ontspanning, gebouwd op hoop en vertrouwen. Want de Heere gaat door. Hij houdt, zoals Hij eeuwenlang gedaan heeft, Zijn kerk in stand. Alles verandert, ook juist in deze tijd. Maar de Koning van de kerk verandert niet. En dus zullen de poorten van de hel Zijn gemeente nooit overweldigen (Matth. 16:18).

De catechismus zegt: naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Met Zijn Godheid, met Zijn tegenwoordigheid, met Zijn aanwezigheid, laat Hij Zijn kerk geen seconde alleen. Met Zijn majesteit. Nee, nu niet meer als kwetsbaar, broos en vergankelijk mens. Maar met Zijn majesteit als opperste Koning, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. En met Zijn genade wijkt Hij, kinderen van God, nooit van ons. Echt nooit!

Wat een troost, wat een gelukkig leven, om zo met de Heere te mogen leven. Immers je kan zo bang zijn, als je naar je hart en leven kijkt, om Gods genade kwijt te raken, toch? Maar dat zal niet gebeuren. Met Zijn genade wijkt Hij nooit meer van ons.

En Hij blijft ook bij ons, als vierde, met Zijn Heilige Geest. Die overtuigt van zonde. Dat hebben we altijd weer en blijvend nodig, anders worden we trotse en zelfverzekerde mensen. Die overtuigt van gerechtigheid, van voldoening door het werk van de Heere Jezus. Anders gaan we weer denken, dat we het zelf wel kunnen. Die overtuigt van oordeel. Van het feit dat de duivel overwonnen is. Anders zinkt ons de moed in de schoenen.

De Heilige Geest onderwijst ons. En als de Trooster troost Hij ons. Daarom zei de Heere Jezus ook tegen Zijn discipelen: Het is nuttig voor u, dat Ik heenga, anders kan de Trooster tot u niet komen.

Als je dat allemaal tot je door laat dringen, dan kan je je voorstellen dat de discipelen na de hemelvaart blij naar huis gegaan zijn. Onze Heere is in de hemel. Maar dat betekent niet dat we Hem kwijt zijn. Dit was niet echt een afscheid. Want Hij heeft het beloofd: ‘Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Ik blijf bij u. Ik heb U in Mijn beide handpalmen gegraveerd. Ik draag u altijd in Mijn handen en in Mijn hart. Ik ben u ten goede in de hemel. Ik zal vandaaruit altijd voor u zorgen. En Ik weet wat goed voor u is!’ Ik zal de Trooster tot u zenden. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u (Joh. 14:18).

Kinderen van God, geliefde medechristenen, al zien we het niet, al voelen we het niet: Christus is met ons. Hij zal ons nooit loslaten. Luister dan naar de stem van de Goede Herder uit Psalm 23, ook al gaat u door een donker dal: ‘Ik ben met u.’ En antwoord in de stilte van uw hart: ‘Ja, Heere, U troost mijn ziel.’

We gaan het samen zingen uit Psalm 23, vers 1 en 2. De God des heils wil mij ten Herder wezen; 'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vrezen. Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden, Aan d' oevers van zeer stille waat'ren leiden. Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen; In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen, Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden; Uw stok en staf zal mij altoos behoeden. Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen, De tafel aan, voor mijner haat'ren ogen. - - - - -

Maar, zegt vraag 48, maar als de mensheid niet overal is waar de Godheid is (als mens is Hij in de hemel, als God is Hij overal), worden de twee naturen in Christus (God en mens) dan niet van elkaar gescheiden (of losgemaakt)? Het antwoord zegt: Ganselijk niet (echt niet!); want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Moeilijke zin. Maar het zegt eigenlijk dit: Christus blijft God en mens, twee naturen, met elkaar verenigd. Als God is Hij overal. En als mens, dat wil zeggen met Zijn menselijke natuur, is Hij in de hemel. In ons vlees en bloed zit Hij aan de rechterhand van Zijn Vader. Is dat nuttig om te weten, geeft dat troost?

Ja! Want wat, als Hij Zijn menselijke natuur gewoon op de aarde had gelaten? Wat als Hij die afgelegd had? Dan zouden we troost missen. Namelijk de troost dat Hij als medelijdende Hogepriester in de hemel weet van en medelijden heeft met onze zwakheden. De troost dat Hij als medelijdende Hogepriester weet heeft van onze verzoekingen. Dat Hij de worstelingen en de vragen van ons hart ziet en dat Hij onze tranen kent. Dat troost ons juist zo, dat dat voor Hem niet iets onbekends is.

En wat als Hij nu Zijn Goddelijke natuur had opgegeven? Dan zou het verkeerd met ons aflopen. Zonder Zijn Godheid en majesteit zouden wij geen partij zijn tegen de satan, tegen de wereld en tegen de zonde. Zonder Zijn genade, zouden we in de zonde vallen. En zonder Zijn Heilige Geest zouden we niet kunnen bidden. Dan zouden we alle troost missen.

Dus is het ons tot nut en troost: De Heere Jezus is als God overal, en Zijn menselijke natuur is in de hemel. Ons ten goede.

Ons tweede aandachtspunt:

2. De troost

Vraag 49 zegt: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Het antwoord zegt: Drie dingen. Ten eerste dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten tweede dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

Drie dingen dus. a. Ten eerste dat Hij in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is. Dat schrijft Johannes ook in 1 Johannes 2: We hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden. Een Voorspreker. Dat is iemand die spreekt voor iemand anders, die dat zelf niet kan of durft. Zoals ook Paulus zegt in Romeinen 8:34: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

En wanneer hebben we die Voorspreker? Johannes zegt: indien iemand gezondigd heeft (1 Joh. 2:1).

Onze Voorspreker, onze Pleitbezorger, Die voor ons bidt. Als wij niet meer bidden kunnen, of durven, of willen. Kinderen van God, Christus bidt voor ons. Altijd. Zonder ophouden! Maar vooral: als wij gezondigd hebben. Dan bidt Hij, dan pleit Hij. Terwijl Hij wijst, niet op onze trouw, niet op onze liefde, niet op onze gebeden of op ons geloof, maar op Zijn bloed, op Zijn volkomen betaling. Een verzoek, een gebed, een pleidooi, gegrond op recht, dat nooit zal worden afgewezen.

Daarom is ons leven, jongelui, een gelukkig leven. Als je als kind van God kijkt naar hoe je hart en leven voor de Heere zijn, dan weet je niet hoe het verder moet. Want we zijn echt niet beter dan wie dan ook. En dus kunnen we de Heere ook nergens op wijzen, zo in de trant van: Kijk eens naar hoeveel ik van U houd, en naar wat ik allemaal voor U doe, en naar hoe mijn leven verbeterd is, en naar hoe goed ik geloof… Maar dan de wetenschap: Er is Iemand in de hemel Die voor ons bidt. Die bidt, Die pleit, voor ons! Terwijl Hij wijst op Zijn eigen werk. En Zijn gebed wordt altijd verhoord.

Het gebed van de Heere Jezus, Die (zegt de Catechismus): voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is. Dat is toch de kern van het Evangelie van hemelvaart. Hij is daar, kinderen van God, voor ons, voor het aangezicht van Zijn Vader. Dat wil zeggen, door Hem is er ook voor ons weer plaats voor het aangezicht van de Vader. Een plek die we verzondigd hebben. Immers we hebben onze Vader verlaten. We hebben ons weggezondigd van het aangezicht van de Vader. We hebben afscheid genomen, om nooit meer terug te gaan. Maar nu heeft God Zijn lieve Zoon gezonden, omdat Hij in eenzijdige liefde geen afscheid van ons wilde nemen. Onnoemlijk hoog was de prijs, Die Hij daarvoor overhad. Maar de prijs is betaald. En de schuld is verzoend.

En nu is er, kinderen van God, door onze Heere Jezus Christus weer plaats bij God voor ons. Onverdiend wat ons betreft, maar verdiend door de Zaligmaker. Een plaats bij God de Vader voor weggelopen kinderen. Zoals de dichter zingt in Psalm 68: U (Heere Jezus Christus) bent opgevaren in de hoogte, U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen (de rebelse, opstandige mensen), om bij U te wonen, o HEERE God.

Dat is de vrucht van de hemelvaart: wederhorigen, opstandelingen mogen weer wonen bij de Vader. Terug, thuis bij God. Dat is de reden dat de Heere Jezus in Johannes 20:17 tegen Maria Magdalena zegt: Ik vaar op tot Mijn Vader en… uw Vader, en tot Mijn God en… uw God. Ik ga terug naar huis. En dat is door Mij nu ook uw thuis.

Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn moogt waar Ik ben (Joh. 14:2-3).

b. Daar wijst onze catechismus als tweede op in antwoord 49: Ten andere (ten tweede) dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand(!) hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Tot een zeker pand. Als een zeker bewijs. Als garantie. De Heere Jezus nam onze menselijke natuur aan. Toen Hij geboren werd in Bethlehem. En met die menselijke natuur stierf Hij en stond Hij op uit de dood. En die menselijke natuur nam Hij ook mee naar de hemel. Als garantie!

Want het Hoofd en het lichaam kunnen niet gescheiden worden. Dus als het Hoofd Christus in de hemel is, dan moet Zijn lichaam ook volgen. Als de hemel voor Hem openging, zal die ook opengaan voor al Gods kinderen. Als Hij daar thuis kwam, zullen ook wij op Gods tijd daar thuiskomen. Wat een diepe troost geeft dat in alle moeiten van dit leven, in alle aanvechting en strijd. De Zaligmaker, kinderen van God, geeft ons de garantie, dat we thuis zullen komen. Dat we Zijn heerlijkheid zullen zien.

En die garantie is een dubbele garantie. Vergelijk het maar even met het volgende: Als je trouwt, dan schuif je een trouwring aan elkaars vinger. Ook: als garantie. De man aan de vinger van de vrouw en de vrouw aan de vinger van de man. Als teken, als bewijs, als levenslange garantie van elkaars liefde.

Het was de liefde van Christus, kinderen van God, dat Hij een hemels huwelijk met ons aanging. Dat kwam allemaal van Zijn kant. En Hij had twee ringen. De eerste ring, het eerste bewijs van Zijn liefde was dat Hij ons gelijk wilde worden, dat Hij onze menselijke natuur aannam. En die menselijke natuur heeft Hij ook meegenomen naar de hemel. Met andere woorden, die trouwring heeft Hij niet afgedaan. Eén ring heeft Hij meegenomen naar de hemel, voor ons. Dat geeft ons troost. Dat de Heere Jezus ook met Zijn lichaam in de hemel is, dat betekent dat Zijn Liefde en trouw zijn gebleven.

En die tweede ring dan? c. De catechismus zegt, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand(!) zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is. De Heilige Geest Die uitgestort is met Pinksteren, de Trooster Die in ons woont, dat is de andere, dat is de tweede ring. De Heere heeft ons Zijn Geest gegeven in ons hart, als blijvend teken. Niet van onze liefde tot Hem, maar van Zijn liefde tot ons.

Twee huwelijksringen van liefde en trouw, die nooit vergaan: één in de hemel en één in ons hart. Dus is ons huwelijk vast. Het rust ook op een vast verbond, dat nooit verbroken zal worden door onze ontrouw. Omdat die beide ringen in Zijn hand zijn.

Als wij één ring in ons bezit hadden, dan konden we die afdoen. We konden hem weggeven, of we konden hem weggooien. Maar Hij houdt ze allebei in Zijn bezit: Zijn lichaam in de hemel en Zijn Geest in ons hart. Niets is overgelaten aan onze zorg of kracht.

De catechismus zegt: door Wiens kracht (door de kracht van de Heilige Geest dus) wij zoeken wat daarboven is. Onze Heere in de hemel trekt van boven ons hart naar boven. Dat gaat niet vanzelf, Hij trekt aan ons hart. En de Heilige Geest in ons, duwt en stuwt ons hart ook: naar boven. Want Hij wil Christus groot maken. Die in de hemel is.

De Heere Jezus trekt ons hart naar boven. En de Heilige Geest stuurt ons naar boven. Om? Om de stilte te zoeken. Om te denken aan de dingen die boven zijn. Neem de tijd ervoor, kinderen van God, voor stille overdenking en meditatie. Over het grote werk van de zaligheid, dat God de Vader wilde en dat Christus deed. Over het wonderlijke werk van de Heilige Geest, dat Hij in onze harten begon. En denk veel tot uw troost aan de hemel, waar Christus is. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

De Heere Jezus trekt ons hart naar boven. En de Heilige Geest duwt ons naar boven. Om? Om veel in het verborgen te bidden. Om ons te leren hemelgerichte mensen te zijn. Die het weten: Daar! Daar is mijn Heere, mijn Liefste, mijn Zaligmaker, Die op mij wacht.

Laten we ons dan ook niet zo hechten aan de dingen van deze tijd, alsof die voor altijd zouden blijven. Maar laten we vreemdelingen zijn, op weg naar huis, op weg naar het Vaderhuis. Een waar christen is een mens op reis, ondertrouwd door de hemelse Bruidegom. Die altijd aan ons denkt. Die altijd voor ons bidt. En Die niet wil, dat we Hem uit ons oog en uit ons hart verliezen.

Normaal komt de liefde van man en vrouw van twee kanten. Anders houdt alles op. En, als je elkaar dan door omstandigheden een tijdje niet ziet, dan weet je: de liefde in het hart van de ander blijft. Dan weet je dat je van elkaar blijft houden. Je ring is het bewijs! Ook al zie je de ander niet. Dus moet je die ring nooit afdoen of kwijtraken. Maar de liefde tussen de Heere Christus en ons (die Zijn kinderen mogen zijn) is anders. Die komt van één kant. Die komt van Hem.

Zoals de Heere zegt in Johannes 15: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16). Ik had u als eerste lief. En Mijn liefde verandert nooit. En dus geeft de Heere ons (om zo te zeggen) niet Zijn ring! Hij houdt de beide ringen in Zijn eigen hand. Als een vaste garantie. Want wij zouden die ring direct kwijtraken, of misschien wel aan een ander geven. Nee, alles ligt vast in Zijn handen. De zekerheid ligt buiten ons.

Die kunnen we nooit zoeken in onze liefde, in ons geloof, in onze trouw of in onze hemelgezindheid. Het is Zijn liefde, het is Zijn trouw, die nooit zal wankelen of bezwijken. En alleen door de kracht van Zijn liefde, en door die twee ringen in Zijn handen, alleen daardoor hebben wij Hem ook lief. Alleen daardoor zingen we: Ik zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, al mijn Hoop en Lust (Ps. 33:10, ber.).

Die eenzijdige liefde van Christus werkt in ons door de kracht van de Heilige Geest. Hij schept in ons hart en in ons hoofd een levende verbinding tussen de aarde en de hemel. Een verbinding van hoop en verwachting. Want de Bruidegom kijkt uit naar Zijn bruid. Een verbinding van heimwee naar huis. Want de bruid kan niet zonder haar Bruidegom. Paulus zegt: met Christus te zijn; dat is zeer verre het beste (Fil. 1:23). Het is ook een verbinding vol zekerheid. Omdat de Bruidegom waakt over Zijn bruid. Daarom zullen de Zijnen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Niet één!

Kinderen van God, de dag dat onze ondertrouw hier op aarde voorbij zal zijn, de dag van ons huwelijk staat vast. Bij jullie, jonge stellen met trouwplannen, proeft iedereen hoe je uitkijkt naar je trouwdag. Zo, en nog veel meer, kijken we uit naar de dag dat we onze hemelse Bruidegom voor het eerst zullen zien. We kennen Hem door het geloof nu nog maar ten dele. Zijn liefde heeft ons hart genomen. Maar straks zullen we Hem zien met onze ogen.

Tot die tijd is er hier op aarde de tijd van onze ondertrouw, als voorbereiding op wat komt. Want we moeten eerst nog veel leren en afleren. We moeten leren leven van genade, van de verdienste van Christus alleen. We moeten voorbereid worden door lijden en verdrukking. Maar we weten wel waar ons thuis is. Thuis is boven. Een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

Lieve mensen, ik zou willen dat u daar allemaal naar uitkeek. Blij vooruitzicht! De zonde voorbij. En eeuwig thuis bij onze God. Zoek toch ook deel te krijgen aan onze Heere Jezus Christus en aan Zijn genade en troost. Die Hij ook u geven wil. Geef Hem alstublieft uw hart. Amen.

Slotzang Psalm 69:14:

Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen.