Terug naar Westminster Geloofsbelijdenis

Hoofdstuk I, Paragraaf 6

Westminster Geloofsbelijdenis

PARAGRAAF 6

De gehele raad van God betreffende alles wat noodzakelijk is tot Zijn eigen heerlijkheid, tot de zaligheid van de mens, tot het geloof en tot het leven, staat óf uitdrukkelijk in de Schrift, óf kan daaruit door een goede en noodzakelijke gevolgtrekking worden afgeleid.

Aan de Schrift mag op geen enkel moment iets worden toegevoegd, hetzij door nieuwe openbaringen van de Geest, hetzij door menselijke tradities.

Toch erkennen wij dat de innerlijke verlichting door de Geest van God noodzakelijk is om de dingen die in het Woord geopenbaard zijn op een zaligmakende wijze te verstaan.

Ook zijn er bepaalde omstandigheden betreffende de aanbidding van God en het bestuur van de Kerk die gemeenschappelijk zijn aan menselijke handelingen en samenlevingen. Deze moeten worden geregeld naar het licht van de natuur en christelijke voorzichtigheid, overeenkomstig de algemene regels van het Woord, die altijd in acht moeten worden genomen.