Terug naar Westminster Geloofsbelijdenis

Hoofdstuk IV, Paragraaf 2

Westminster Geloofsbelijdenis

PARAGRAAF 2

Nadat God alle andere schepselen had gemaakt, schiep Hij de mens, man en vrouw, met redelijke en onsterfelijke zielen. Hij begiftigde hen met kennis, gerechtigheid en ware heiligheid, naar Zijn eigen beeld.

De wet van God was in hun hart geschreven en zij hadden de kracht om die wet te vervullen. Toch waren zij ook in staat om die wet te overtreden, omdat zij aan hun eigen veranderlijke wil waren overgelaten.

Naast deze wet die in hun hart geschreven was, ontvingen zij het gebod om niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Zolang zij dit gebod hielden, hadden zij gemeenschap met God en waren zij gelukkig.