Terug naar Westminster Geloofsbelijdenis

Hoofdstuk II, Paragraaf 2

Westminster Geloofsbelijdenis

PARAGRAAF 2

God heeft in Zichzelf, en uit Zichzelf, al het leven, de heerlijkheid, de goedheid en de zaligheid.

Hij is in Zichzelf en voor Zichzelf volkomen genoegzaam en heeft geen schepselen nodig die Hij gemaakt heeft. Hij ontleent ook geen heerlijkheid aan hen, maar openbaart Zijn eigen heerlijkheid in, door, tot en over hen.

Hij is de enige bron van al het bestaan, uit Wie, door Wie en tot Wie alle dingen zijn. Hij heeft de meest vrije en absolute heerschappij over alle schepselen om door hen, voor hen of aan hen te doen wat Hem behaagt.

Voor Zijn aangezicht is alles open en bekend. Zijn kennis is oneindig, onfeilbaar en onafhankelijk van het schepsel. Daarom is voor Hem niets toevallig of onzeker.

Hij is geheel heilig in al Zijn raad, in al Zijn werken en in al Zijn geboden. Hem komt van engelen en mensen en van ieder ander schepsel alle aanbidding, dienst en gehoorzaamheid toe die Hij naar Zijn welbehagen van hen verlangt.