Doorzoek het archief per Bijbelboek, van Genesis tot de Openbaring.
OUDE TESTAMENT
Huwelijk en seksualiteit (Zondag 41, deel 1) – Genesis 2
Genesis 2:24: Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aankleven, en zij zullen tot één vlees zijn.
Adam, waar zijt gij? - Genesis 3
Genesis 3:9: En de HEERE God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?
Henoch wandelde met God – Genesis 5
Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Geboorte van Noach, hij zal ons troosten – Genesis 5
Genesis 5:29: En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft.
De ark van Noach werd gesloten – Genesis 7
Genesis 7:16: Noach nu was zeshonderd jaar oud als de vloed der wateren op de aarde was.
De vrouw van Lot – Genesis 19
Genesis 19:24-26: Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sódom en over Gomórra regenen, van den HEERE, uit den hemel. En Hij keerde dezelve steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
Hagar en Ismaël – Genesis 21
Genesis 21:14: Toen stond Abraham des morgens vroeg op en nam brood en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Berséba.
Jozef in de put - Genesis 37
Genesis 37:20: Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal.
Op Uw zaligheid wacht ik – Genesis 49
Genesis 49:18: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE.
Mozes in biezen kistje – Exodus 2
Exodus 2:3: Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.
Gods vinger in de corona-epidemie – Exodus 8
Exodus 8:19: Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger. Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.
Bloed van het paaslam (deel 1) – Exodus 12
Exodus 12:7: En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten en aan den bovendorpel, aan de huizen in dewelke zij het eten zullen.
Doe het zuurdesem weg (deel 2) – Exodus 12
Exodus 12:15: Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
Ons Pascha geslacht (deel 3) – Exodus 12
Exodus 12:21: Mozes dan riep al de oudsten van Israël en zeide tot hen: Leest uit en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen en slacht het pascha.
Wolkkolom en vuurkolom (deel 4) – Exodus 13
Exodus 13:21: En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hun lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
Een doodlopende weg – Exodus 14
Exodus 14:13-14: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
Door Rode Zee of Schelfzee (deel 5) – Exodus 14
Exodus 14:13-14: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
Het lied van Mozes (deel 6) – Exodus 15
Exodus 15:13: Gij leidt door Uw weldadigheid dit volk dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de lieflijke woning Uwer heiligheid.
Mara, bitter water (deel 7) – Exodus 15
Exodus 15:23: Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.
Manna, hemels brood (deel 8) – Exodus 16
Exodus 16:14-15: Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde. Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
Rafidim, water uit de steenrots (deel 9) – Exodus 17
Exodus 17:1: Daarna toog de ganse vergadering der kinderen Israëls naar hun dagreizen uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidîm; daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
Mozes, Aäron en Hur, oorlog Amalek (deel 10) – Exodus 17
Exodus 17:8-9: Toen kwam Amalek, en streed tegen Israël in Rafidîm. Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
Jethro, de Midianiet (deel 11) - Exodus 18
Exodus 18:8: En Mozes vertelde zijn schoonvader alles wat de HEERE aan Farao en aan de Egyptenaars gedaan had om Israëls wil; al de moeite die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.
Op vleugelen arenden gedragen (deel 12) - Exodus 19
Exodus 19:4: Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
Niet in één jaar, maar stap voor stap (deel 14) - Exodus 23
Exodus 23:30: Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
Moet Mijn aangezicht met u gaan? - Exodus 33
Exodus 33:14-15: Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.
De HEERE zegene u – Numeri 6 (afscheid)
Numeri 6:24-26: De HEERE zegene u en behoede u; De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.
Betekenis van de wolk- en vuurkolom – Numeri 9
Numeri 9:15-17: En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen. Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs. Maar naar dat de wolk opgeheven werd van boven de tent, alzo verreisden ook daarna de kinderen Israëls; en in de plaats waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israëls.
Hobab, de zwager van Mozes (deel 15) – Numeri 10
Numeri 10:29: Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats van dewelke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven. Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
Sta op, HEERE; Tabera in woestijn (deel 16) - Numeri 10-11
Numeri 10:35: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
Eldad en Medad profeteren - Numeri 11
Numeri 11:29: Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!
Grote gevaar van ondankbaarheid (deel 17) - Numeri 11
Numeri 11:34: Daarom heette men den naam derzelver plaats Kibrôth-Táäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.
Opstand Mirjam en Aäron tegen Mozes (deel 18) - Numeri 12
Numeri 12:1: Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
De verspieders van beloofde land (deel 19) - Numeri 13
Numeri 13:30-31: . En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
Het sterven van de hogepriester Aäron – Numeri 20
Numeri 20:28: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.
Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson (I) - Richteren 13
Richteren 13:3: En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.
Simsons bruiloft in Timnath (III) - Richteren 14
Richteren 14:1: En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van de dochteren der Filistijnen,
Simson: Roeping en verleiding (II) - Richteren 14
Richteren 14:5: Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
Simson overgegeven aan Filistijnen (IV) - Richteren 15
Richteren 15:11: Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.
Simsons dorst in Lechi (V) - Richteren 15
Richteren 15:18: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand dezer onbesnedenen?
Simson en stadspoort van Gaza (VI) - Richteren 16
Richteren 16: Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar een vrouw die een hoer was, en hij ging tot haar in.
Delila en de tempel van Dagon (VII) - Richteren 16
Richteren 16:30: Als nu Delíla zag dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op en brachten het geld in hun hand.
De keus van Orpa - Ruth 1
Ruth 1:14-15: Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.
Lijm aan je hart - Ruth 1
Ruth 1:14: Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.
De keus van Ruth - Ruth 1
Ruth 1:16: Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heen gaan, zal ik ook heen gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.
Hanna, kinderloos – 1 Samuël 1
1 Samuël 1:11: En zij beloofde een gelofte en zeide: HEERE der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet en mijner gedenkt en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat den HEERE geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
Het lied van Hanna - 1 Samuël 2
1 Samuël 2:1: Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt op van vreugde in den HEERE, mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.
Hofni en Pinehas - 1 Samuël 2
1 Samuël 2:17: Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.
Er kwam een man Gods tot Elia – 1 Samuël 2
1 Samuël 2:27: En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
Woord des HEEREN was dierbaar - 1 Samuël 3
1 Samuël 3:1: En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
De roeping van Samuël - 1 Samuël 3
1 Samuël 3:10: Toen kwam de HEERE en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël. En Samuël zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.
Ikabod - 1 Samuël 4
1 Samuël 4:21: En zij noemde het jonksken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël. Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.
De ark in Beth-Semes – 1 Samuël 5-6
1 Samuël 6:12: De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Sémes op één straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechter- noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes.
Reformatie in Mizpa - 1 Samuël 7
1 Samuël 7:9: Toen nam Samuël een melklam en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot den HEERE voor Israël, en de HEERE verhoorde hem.
Israël vraagt een koning - 1 Samuël 8
1 Samuël 8:19: Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen, en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.
Saul als koning aangewezen - 1 Samuël 9-10
1 Samuël 10:11: En het geschiedde als een iegelijk die hem van tevoren gekend had, zag dat hij, zie, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, eenieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?
U hebt heden uw God verworpen - 1 Samuël 11
1 Samuël 11:17: Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan en ziet, dat uw kwaad groot is dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.
Het afscheid van Samuel – 1 Samuel 11-12
1 Samuel 12:5: Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt. En het volk zeide: Hij zij Getuige.
David en Bathseba – 2 Samuël 7
2 Samuel 7:9: Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uría, den Hethiet, met het zwaard verslagen en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouw genomen, en hem hebt gij met het zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen.
Wie ben ik, Heere HEERE - 2 Samuël 7
2 Samuël 7:18: Toen ging de koning David in en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
De komst van de profeet Elia - 1 Koningen 16-17
1 Koningen 17:1: En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
Elia bij de beek Krith – 1 Koningen 17
1 Koningen 17:6-7: En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
Danken met lege handen – 1 Koningen 17
1 Koningen 17:11-12: Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand. Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten en sterven.
Elia bij de weduwe in Zarfath - 1 Koningen 17
1 Koningen 17:15-16: En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.
Kind van weduwe in Zarfath sterft - 1 Koningen 17
1 Koningen 17:17: En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.
Elia , Obadja en Achab - 1 Koningen 18
1 Koningen 18:7-8: Als nu Obadja op den weg was, zie, zo was hem Elía tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht en zeide: Zijt gij mijn heer Elía? Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.
Elia op de berg Karmel – 1 Koningen 18
1 Koningen 18:38: Toen viel het vuur des HEEREN en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op hetwelk in de groeve was.
Gebed van Elia, kleine wolk als eens mans hand - 1 Koningen 18
1 Koningen 18:44: En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk als eens mans hand gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan en kom af, dat u de regen niet ophoude.
Elia onder de jeneverboom – 1 Koningen 19
1 Koningen 19:5: En hij legde zich neder en sliep onder een jeneverboom; en zie, toen roerde hem een engel aan en zeide tot hem: Sta op, eet.
Elia bij de Horeb – 1 Koningen 19
1 Koningen 19:9-10: En hij kwam aldaar in een spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het woord des HEEREN geschiedde tot hem en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen, want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen.
Elia en het suizen van een zachte stilte (deel 13) – 1 Koningen 19
1 Koningen 19:12: En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.
Elia en de roeping van Elisa – 1 Koningen 19
1 Koningen 19:19: Zo ging hij vandaar en vond Elísa, den zoon van Safat; diezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; en Elía ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem.
Elia en de wijngaard van Naboth - 1 Koningen 21
1 Koningen 21:2: Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
Gods bemoeienis met Ahazia – 2 Koningen 1
2 Koningen 1:2: En Aházia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaría was, en werd krank. En hij zond boden en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-Zebub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal.
Elia’s hemelvaart – 2 Koningen 2
2 Koningen 2:11: En het gebeurde als zij voortgingen, gaande en sprekende, zie, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elía met een onweder ten hemel.
De mantel van Elia - 2 Koningen 2
2 Koningen 2:14: En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
Elisa, zijn roeping (Elisa 1) – 2 Koningen 2
2 Koningen 2:14: En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
Twee beren doden 42 kinderen (Elisa 2) - 2 Koningen 2
2 Koningen 2:23-24: En hij ging vandaar op naar Bethel. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op. En hij keerde zich achterom, en hij zag hen en vloekte hen in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen.
Grachten in de woestijn van Edom (Elisa 3) – 2 Koningen 3
2 Koningen 3:15-16: Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam. En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.
Weduwe en olie in lege vaten (Elisa 4) - 2 Koningen 4
2 Koningen 4:2: En Elísa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis dan een kruik met olie.
Sunamitische vrouw: Het is wel (Elisa 5) - 2 Koningen 4
2 Koningen 4:26: Nu, loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.
Wilde kolokwinten, dood in pot (Elisa 6) - 2 Koningen 4
2 Koningen 4:39: Toen ging een uit in het veld om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok en las daarvan zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam en sneed ze in den moespot, want zij kenden ze niet.
Naäman van zijn melaatsheid genezen (Elisa 8) - 2 Koningen 5
2 Koningen 5:1: Naäman nu, de krijgsoverste des konings van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren en van hoog aanzien, want door hem had de HEERE den Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.
Naäman in huis van Rimmon (Elisa 9) - 2 Koningen 5
2 Koningen 5:18: In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: Wanneer mijn heer in het huis van Rimmon gaan zal om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.
De drijvende bijl (Elisa 7) – 2 Koningen 6
2 Koningen 6:5-6: En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend. En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer bovenzwemmen.
Elisa en zijn knecht in Dothan – 2 Koningen 6
2 Koningen 6:16: En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.
Honger in Samaria (Elisa 10) - 2 Koningen 6
2 Koningen 6:25: En er werd grote honger in Samaría; want zie, zij belegerden haar, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.
Reformatie onder koning Josia - 2 Koningen 22
2 Koningen 22:19: Omdat uw hart week geworden is en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
Twee wegen aan het begin van het nieuwe jaar - Psalm 1
Psalm 1:1: Welgelukzalig is de man die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters.
Wie zal ons het goede doen zien? - Psalm 4
Psalm 4:7: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE.
Aanwijzingen voor persoonlijk gebed - Psalm 5
Psalm 5:3: Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God; want tot U zal ik bidden.
Hoog vertrek in tijden van benauwdheid – Psalm 9
Psalm 9:10-11: En de HEERE zal een hoog Vertrek zijn voor den verdrukte; een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Hoe lang, HEERE? - Psalm 13
Psalm 13:2: Hoelang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoelang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
Op God geworpen van de baarmoeder af - Psalm 22
Psalm 22:10-11: Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
De HEERE is mijn Herder – Psalm 23
Psalm 23:1-2: Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Vergeef mijn ongerechtigheid - Psalm 25
Psalm 25:11: Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
De stem des HEEREN: onweer, storm en stilte - Psalm 29
Psalm 29:4-5: De stem des HEEREN is met kracht; de stem des HEEREN is met heerlijkheid. De stem des HEEREN breekt de ceders; ja, de HEERE verbreekt de ceders van Libanon.
Zegen en nut van tegenspoed en duisternis - Psalm 30
Psalm 30:5-6: Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten, en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid. Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
Jonge leeuwen of de Heere zoeken - Psalm 34
Psalm 34:11: Caph. De jonge leeuwen lijden armoede en hongeren, maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek van enig goed.
Wentel uw weg op de HEERE - Psalm 37
Psalm 37:5-6: Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken; En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
Zie, Ik kom - Psalm 40
Psalm 40:8-9: Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands.
Mijn ziel dorst naar God - Psalm 42
Psalm 42:3: Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
Laat af en weet dat Ik God ben - Psalm 46
Psalm 46:11: Laat af, en weet dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.
Offer Gode dank - Psalm 50
Psalm 50:1: Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
Ik zoek U in de dageraad - Psalm 63
Psalm 63:2: O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
De volken zullen U, o God, loven (intrede Houten) - Psalm 67
Psalm 67:7-8: De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.
Gaven voor wederhorigen - Psalm 68
Psalm 68:19: Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God!
Morenland zal zich haasten - Psalm 68
Psalm 68:32: Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
Zolang zon en maan zullen zijn - Psalm 72
Psalm 72:5: Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
Hand vol koren, vrucht zal ruisen (afscheid) – Psalm 72
Psalm 72:16: Is er een handvol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.
Van kind tot kind - Psalm 72
Psalm 72:17: Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen.
Aanschouw het verbond – Psalm 74
Psalm 74:20: Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
De daden des HEEREN gedenken – Psalm 77
Psalm 77:11-13: Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEEREN gedenken, ja, ik zal gedenken Uw wonderen van oudsher, En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
Niet verbergen voor hun kinderen - Psalm 78
Psalm 78:4: Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
Doe verzoening om Uws Naams wil - Psalm 79
Psalm 79:9: Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
Zelfs de mus en de zwaluw - Psalm 84
Psalm 84:4: Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jonkskens legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning en mijn God.
Wie is als God? - Psalm 89
Psalm 89:7: Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken?
Wat man leeft er? (Gray) - Psalm 89
Psalm 89:49: Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.
De HEERE regeert – Psalm 99
Psalm 99:1: De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubs; de aarde bewege zich.
Gelijk zich een vader ontfermt - Psalm 103
Psalm 103:13: Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen.
God heb ik lief – Psalm 116
Psalm 116:1-2: Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
Wat zal ik de HEERE vergelden? - Psalm 116
Psalm 116:12: Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Doe mij treden op pad Uw geboden - Psalm 119
Psalm 119:35: Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
Bezweken van verlangen – Psalm 119
Psalm 119:81-83: Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten? Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
Zo de HEERE het huis niet bouwt - Psalm 127
Psalm 127:1: Een lied Hammaäloth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
De ware bidder - Psalm 130
Psalm 130:3-4: Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
HEERE, wie zal bestaan? - Psalm 130
Psalm 130:3: Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
Ik verwacht de HEERE - Psalm 130
Psalm 130:4-6: Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht den HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
Hij zal Israël verlossen - Psalm 130
Psalm 130:7-8: Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
Zingen van de wegen des HEEREN - Psalm 138
Psalm 138:8: De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE, is in eeuwigheid; laat niet varen de werken Uwer handen.
Als een borduursel, een ongevormde klomp – Psalm 139
Psalm 139:14-16: Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken; ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongeformeerden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
God hoort roepen van de jonge raven - Psalm 147
Psalm 147:9: Die het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij roepen.
Ik zal Mijn Geest ulieden uitstorten - Spreuken 1
Spreuken 1:22-23: Gij slechten, hoelang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden - Spreuken 8
Spreuken 8:17: Ik heb lief die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
Ik heb lief, die Mij liefhebben - Spreuken 8
Spreuken 8:17: Ik heb lief die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
Mijn zoon, geef mij uw hart - Spreuken 23
Spreuken 23:26: Mijn zoon, geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
De les van de vier dieren - Spreuken 30
Spreuken 30:24-28: Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid welvoorzien: De mieren zijn een onsterk volk, evenwel bereiden zij in den zomer haar spijze; De konijnen zijn een machteloos volk, nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen; De sprinkhanen hebben geen koning, nochtans gaan zij alle uit, zich verdelende in hopen; De spinnenkop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
Trek mij, wij zullen U nalopen - Hooglied 1
Hooglied 1:4: Trek mij, wij zullen U nalopen. De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.
Ik ben zwart, doch liefelijk - Hooglied 1
Hooglied 1:5: Ik ben zwart, doch lieflijk (gij dochteren van Jeruzalem), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Sálomo.
De Koning aan Zijn ronde tafel - Hooglied 1
Hooglied 1:12: Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.
Bundeltje mirre – Hooglied 1
Hooglied 1:13-14: Mijn Liefste is mij een bundelken mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Mijn Liefste is mij een tros van cyprus in de wijngaarden van Engédi.
Roos van Saron, Lelie der dalen - Hooglied 2
Hooglied 2:1-2: Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen. Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
Sta op, Mijn vriendin - Hooglied 2
Hooglied 2:10: Mijn Liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.
Duif in de kloven der steenrotsen - Hooglied 2
Hooglied 2:14: Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk.
Tot de schaduwen vlieden - Hooglied 2
Hooglied 2:15: Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
Ik zocht Hem, Dien mijn ziel liefheeft - Hooglied 3
Hooglied 3:1: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
De koning Salomo met de kroon - Hooglied 3
Hooglied 3:11: Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Sions, den koning Sálomo, met de kroon waarmede hem zijn moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten.
Geheel zijt gij schoon - Hooglied 4
Hooglied 4:1: Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin, zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten die het gras van den berg Gileads afscheren.
Bij Mij, van de Libanon af – Hooglied 4
Hooglied 4:8: Bij Mij van den Libanon af, o bruid, kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.
Immanuël, maagd zwanger - Jesaja 7
Jesaja 7:14: Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven: Zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren en Zijn Naam IMMÁNUËL heten.
Een Kind is ons geboren - Jesaja 9
Jesaja 9:5: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
De Messias en Zijn Vrederijk - Jesaja 11
Jesaja 11:6: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jonksken zal ze drijven.
Zijn rust zal heerlijk zijn - Jesaja 11
Jesaja 11:10: Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een Banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
Zevenvoudig danklied - Jesaja 12
Jesaja 12:3-4: En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils, En zult te dienzelven dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken; vermeldt dat Zijn Naam verhoogd is.
De HEERE zal wachten – Jesaja 30
Jesaja 30:18: En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten.
En die Man zal zijn, als een Verberging – Jesaja 32
Jesaja 32:2: En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
Alle vlees is gras – Jesaja 40
Jesaja 40:6-8: Een stem zegt: Roep. En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Kudde weiden gelijk een herder - Jesaja 40
Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammekens in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.
Zij zullen de kracht vernieuwen - Jesaja 40
Jesaja 40:30-31: De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; Maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.
Gekrookte riet - Jesaja 42
Jesaja 42:3: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Om te openen de blinde ogen - Jesaja 42
Jesaja 42:6-7: Ik, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij Uw hand grijpen; en Ik zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen, Om te openen de blinde ogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis hen die in duisternis zitten.
Blinden leiden op de weg – Jesaja 42
Jesaja 42:16: En Ik zal de blinden leiden door den weg dien zij niet geweten hebben, Ik zal hen doen treden door de paden die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen en Ik zal hen niet verlaten.
Wanneer gij zult gaan door het water - Jesaja 43
Jesaja 43:2: Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
Ik zal water gieten, stromen op het droge - Jesaja 44
Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op den dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Niet gezegd: Zoek Mij tevergeefs – Jesaja 45
Jesaja 45:19: Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.
Wendt u naar Mij toe en wordt behouden - Jesaja 45
Jesaja 45:22: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer.
Mijn raad zal bestaan (intrede Utrecht) - Jesaja 46
Jesaja 46:10: Die van den beginne aan verkondig het einde, en vanouds af die dingen die nog niet geschied zijn; Die zeg: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
Hemel zal als rook verdwijnen – Jesaja 51
Jesaja 51:6: Heft ulieder ogen op naar den hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen desgelijks sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
Hij zal vele heidenen besprengen - Jesaja 52
Jesaja 52:15: Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
Wie heeft onze prediking geloofd - Jesaja 53
Jesaja 53:1: Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
Onze smarten heeft Hij gedragen – Jesaja 53
Jesaja 53:4: Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Als een lam ter slachting geleid – Jesaja 53
Jesaja 53:7: Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Bergen wijken, heuvels wankelen – Jesaja 54
Jesaja 54:10: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is - Jesaja 55
Jesaja 55:6-7: Zoekt den HEERE terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Hemelse boodschap op bijzondere boetedag – Jesaja 58
Jesaja 58:5: Zou het zulk een vasten zijn dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle? Dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heten en een dag den HEERE aangenaam?
Maak u op, word verlicht - Jesaja 60
Jesaja 60:1: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.
Och, dat U hemelen scheurde - Jesaja 64
Jesaja 64:1: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;
Als een, dien zijn moeder troost – Jesaja 66
Jesaja 66:13: Als een dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.
Keer nochtans weder tot Mij - Jeremia 3
Jeremia 3:1: Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
O HEERE! doe het om Uws Naams wil - Jeremia 14
Jeremia 14:7: Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE, doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.
Ik kwam met u in een verbond, gij werd Mijne - Ezechiël 16
Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt Mijne.
Het verlorene zal Ik zoeken - Ezechiël 34
Ezechiël 34:16: Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal hen weiden met oordeel.
Gij zijt mensen, Ik ben uw God – Ezechiël 34
Ezechiël 34:31: Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
En Ik zal u een nieuw hart geven – Ezechiël 36
Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
En u zult een walging van u zelf hebben – Ezechiël 36
Ezechiël 36:31: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
Daniël in de leeuwenkuil – Daniël 6
Daniël 6:17-18: Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u. En er werd één steen gebracht en op den mond des kuils gelegd; en de koning verzegelde denzelven met zijn ring en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.
Gebed van Daniël: Wij hebben gezondigd – Daniël 9
Daniël 9:7: Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen waar Gij hen heen gedreven hebt om hun overtreding waarmede zij tegen U overtreden hebben.
Lo Ammi, Lo Ruchama (1) - Hosea 1
Hosea 1:6: En zij ontving wederom, en baarde een dochter, en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal hen zekerlijk wegvoeren.
Ik zal uw weg met doornen betuinen (2) - Hosea 2
Hosea 2:5: En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.
Lokken en voeren in woestijn - Hosea 2
Hosea 2:13: Daarom, zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.
Het dal Achor, deur der hoop (3) - Hosea 2
Hosea 2:14: En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
Vrijgekocht met een dure prijs (4) - Hosea 3
Hosea 3:2-3: En ik kocht haar mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst. En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen naar mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch aan een anderen man geworden), en ik ook naar u.
Onnavolgbare liefde - Hosea 3
Hosea 3:2: En ik kocht haar mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.
Mijn volk is zonder kennis (5) - Hosea 4
Hosea 4:1: Hoort des HEEREN woord, gij kinderen Israëls; want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, noch weldadigheid, noch kennis Gods in het land is,
Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen - Hosea 11
Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
NIEUWE TESTAMENT
De stamboom van Jezus - Mattheüs 1
Mattheüs 1:1: Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den Zoon van Abraham.
Zaligmaker van zondaars - Mattheüs 1
Mattheüs 1:21: En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Wijzen uit het Oosten - Mattheüs 2
Mattheüs 2:1: Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judéa, in de dagen van den koning Herodes, zie, enige wijzen van het oosten zijn te Jeruzalem aangekomen,
De kindermoord in Bethlehem - Mattheüs 2
Mattheüs 2:17-18: Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet getroost wezen, omdat zij niet zijn.
Jezus, de Nazarener - Mattheüs 2
Mattheüs 2:23: En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.
Het volk dat in duisternis wandelt - Mattheüs 4
Mattheüs 4:16: Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaan.
Armen van geest (deel 1) – Mattheüs 5
Mattheus 5:3-5: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
Reinen van hart (2) – Mattheüs 5
Mattheus 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
De vreedzamen (deel 3) - Mattheüs 5
Mattheüs 5:9: Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Vervolging, smaad en laster (4) - Mattheüs 5
Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Gij zijt het zout der aarde - Mattheüs 5
Mattheüs 5:13: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buitengeworpen en van de mensen vertreden te worden.
Zoek eerst het Koninkrijk van God - Mattheüs 6
Mattheüs 6:33: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
Bidt, en u zal gegeven worden – Mattheüs 7
Mattheüs 7:7-8: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
Enge poort, brede en smalle weg – Mattheüs 7
Mattheüs 7:13-14: Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan; Want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden.
Huis op de rots, huis op het zand – Mattheüs 7
Mattheüs 7:24: Een iegelijk dan die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;
Storm op zee, doch Hij sliep - Mattheüs 8
Mattheüs 8:24: En zie, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.
Roeping van Mattheüs of Levi - Mattheüs 9
Mattheüs 9:9: En Jezus vandaar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Matthéüs, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
Bidt dan, de Heere des oogstes – Mattheüs 9
Mattheüs 9:37-38: Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.
Christus en scharen zonder Herder (McCheyne) - Mattheüs 9
Mattheüs 9:37: Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige;
Johannes de Doper in de gevangenis - Mattheüs 11
Mattheüs 11:3: En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?
Gelijkenis van op de markt spelende kinderen - Mattheüs 11
Mattheüs 11:16-17: Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk den kinderkens die op de markten zitten en hun gezellen toeroepen, En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.
De Parel van grote waarde – Mattheüs 13
Mattheüs 13:45-46: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een koopman die schone parelen zoekt; Dewelke hebbende één parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.
Gelijkenis van het net, het visnet – Mattheüs 13
Mattheüs 13:47-48: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.
Kananese vrouw - Mattheüs 15
Mattheüs 15:22: En zie, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
Petra; Wie zegt u, dat Ik ben? - Mattheüs 16
Mattheüs 16:15-16: Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordende zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Petrus, ga achter Mij, satanas! - Mattheüs 16
Mattheüs 16:23: Maar Hij Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
Verheerlijking op de berg - Mattheüs 17
Mattheüs 17:5: Terwijl hij nog sprak, zie, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.
De rijke jongeling - Mattheüs 19
Mattheüs 19:16: En zie, er kwam een tot Hem en zeide tot Hem: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?
Hosanna, de Zone Davids – Mattheüs 21
Mattheüs 21:15: Als nu de overpriesters en schriftgeleerden zagen de wonderheden die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk,
Gelijkenis van de twee zonen - Mattheüs 21
Mattheüs 21:31: Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Geen bruiloftskleed
Mattheüs 22:11
Wijze en dwaze maagden - Mattheüs 25
Mattheüs 25:1-2: Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke haar lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas.
Zalving door Maria in Bethanië - Mattheüs 26
Mattheüs 26:6-7: Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatse, Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
Ben ik het, Heere? – Mattheüs 26
Mattheüs 26:22: En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
Instelling Heilig Avondmaal - Mattheüs 25
Mattheüs 26:26: En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het en gaf het den discipelen en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
De lofzang gezongen, het Hallel - Mattheüs 26
Mattheüs 26:30: En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede - Mattheüs 26
Mattheüs 26:39: En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
De overval, het oor van Malchus - Mattheüs 26
Mattheüs 26:51: En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.
Verloochening door Petrus - Mattheüs 26
Mattheüs 26:75: En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.
Zijn bloed kome over ons - Mattheüs 27
Mattheüs 27:25: En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
Purperen kleed, doornenkroon, rietstok - Mattheüs 27
Mattheüs 27:28: En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – Mattheüs 27
Mattheüs 27:46: En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
De vrouwen bij het graf - Mattheüs 28
Mattheüs 28:5: Maar de engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Het verhaal van de wachters – Mattheüs 28
Mattheus 28:12-13: En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen en tezamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel geld, En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.
Doch sommigen twijfelden - Mattheüs 28
Mattheüs 28:17: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
Gaat dan heen! – Mattheüs 28
Mattheus 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
Ik ben met ulieden - Mattheüs 28
Mattheüs 28:20: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.
Genezing schoonmoeder van Petrus – Markus 1
Markus 1:30-31: En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar. En Hij tot haar gaande, vatte haar hand en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
Genezing van de bezetene in Gadara – Markus 5
Markus 5:9: En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
Bloedvloeiende vrouw – Markus 5
Markus 5:27-29: Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren en raakte Zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden. En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.
Johannes de Doper onthoofd - Markus 6
Markus 6:27: En de koning zond terstond een scherprechter en gebood zijn hoofd daar te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,
Zij meenden dat het een spook was - Markus 6
Markus 6:49-50: En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet.
Genezing van de maanzieke knaap - Markus 9
Markus 9:24: En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.
Laat de kinderen tot Mij komen - Markus 10
Markus 10:14: Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.
De blinde Bartimeüs genezen – Markus 10
Markus 10:47-48: En horende dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm U mijner.
Penning van de weduwe - Markus 12
Markus 12:43: En Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben.
Jezus zweeg stil - Markus 14
Markus 14:61: Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
Zacharias, de vader Johannes Doper - Lukas 1
Lukas 1:13: Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharías, want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.
Deze zal groot zijn - Lukas 1
Lukas 1:32: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven;
Geen ding zal bij God onmogelijk zijn - Lukas 1
Lukas 1:37-38: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.
In verwachting, Maria en Elizabet - Lukas 1
Lukas 1:41-42: En het geschiedde als Elisabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elisabet werd vervuld met den Heiligen Geest; En riep uit met grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de Vrucht uws buiks.
Lofzang van Maria, Magnificat - Lukas 1
Lukas 1:46-47: En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere, En mijn geest verheugt zich in God mijn Zaligmaker;
In de volheid van de tijd - Lukas 2
Lukas 2:7: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Het Kind van Bethlehem, gezien en geloofd – Lukas 2
Lukas 2:7: En er waren herders in diezelve landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
In doeken gewonden - Lukas 2
Lukas 2:7: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Zij baarde haar eerstgeboren Zoon - Lukas 2
Lukas 2:7: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Ere zij God, vrede op aarde – Lukas 2
Lukas 2:14: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Herders gaan heen Bethlehem – Lukas 2
Lukas 2:15: En het geschiedde als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft kond gedaan.
De besnijdenis van Jezus - Lukas 2
Lukas 2:21: En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
De Vertroosting Israëls - Lukas 2
Lukas 2:25: En zie, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezend, verwachtende de vertroosting Israëls; en de Heilige Geest was op hem.
Simeon: Laat mij heengaan in vrede naar Uw Woord - Lukas 2
Lukas 2:29: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord;
Tot een val en tot een opstanding - Lukas 2
Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken dat wedersproken zal worden
Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders - Lukas 2
Lukas 2:49: En Hij zeide tot hen: Wat is het dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?
De bijl ligt aan de wortel – Lukas 3
Lukas 3:9: En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
De doop van Jezus door Johannes de Doper – Lukas 3
Lukas 3:21-22: En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd, En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde in lichamelijke gedaante gelijk een duif, en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen.
Adam en Christus, zonen van God – Lukas 3
Lukas 3:38: Den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.
Verzoeking in de woestijn - Lukas 4
Lukas 4:4-5: En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods. En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld in een ogenblik tijds.
De Medicijnmeester, de hemelse Dokter - Lukas 5
Lukas 5:31: En Jezus antwoordende zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.
Romeinse hoofdman: Ik ben niet waardig - Lukas 7
Lukas 7:6: En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.
Jongeling van Naïn - Lukas 7
Lukas 7:12: En als Hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar.
Zondares in huis Simon Farizeeër - Lukas 7
Lukas 7:37: En zie, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.
Dagelijks kruis opnemen – Lukas 9
Lukas 9:22-23: Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood, en ten derden dage opgewekt worden. En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij.
Hoe men Jezus volgen moet – Lukas 9
Lukas 9:57: En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.
Voor de wijzen en verstandigen verborgen - Lukas 10
Lukas 10:21: Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
De barmhartige Samaritaan – Lukas 10
Lukas 10:33: Maar een zekere Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
Martha en Maria: Eén ding is nodig - Lukas 10
Lukas 10:41-42: En Jezus antwoordende zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; Maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.
Betekenis doopbelofte – Lukas 11
Lukas 11:13: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden!
Rijke dwaas, een gelijkenis - Lukas 12
Lukas 12:16: En Hij zeide tot hen een gelijkenis en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;
Wees niet bezorgd - Lukas 12
Lukas 12:22: En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.
Onvruchtbare vijgenboom - Lukas 13
Lukas 13:6: En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgenboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
Krom gebogen (samengebogen) vrouw - Lukas 13
Lukas 13:11: En zie, er was een vrouw die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen en kon zich ganselijk niet oprichten.
Gelijkenis van het mosterdzaad - Lukas 13
Lukas 13:18-19: En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk een mosterdzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.
En dwing hen in te komen (Boston) - Lukas 14
Lukas 14:23: En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing hen in te komen, opdat mijn huis vol worde;
Wie is Jezus voor jou? - Lukas 14
Lukas 14:33: Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
Gelijkenis van de verloren penning – Lukas 15
Lukas 15:8: Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij één penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt?
De verloren zoon en zijn vader (deel I) - Lukas 15
Lukas 15:12: En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
De oudste zoon en zijn vader (deel II) – Lukas 15
Lukas 15:31: En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.
De onrechtvaardige rentmeester - Lukas 16
Lukas 16:1: En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
Genezing van tien melaatsen - Lukas 17
Lukas 17:17: En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?
De onrechtvaardige rechter – Lukas 18
Lukas 18:7-8: Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?
De farizeeër en de tollenaar – Lukas 18
Lukas 18:13: En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig.
Zacheüs, de tollenaar - Lukas 19
Lukas 19:5: En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende zag Hij hem, en zeide tot hem: Zachéüs, haast u en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.
Een wenende, huilende Jezus - Lukas 19
Lukas 19:41-42: En als Hij nabijkwam en de stad zag, weende Hij over haar, Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
Verraad van Judas - Lukas 22
Lukas 22:3-4: En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskáriot, zijnde uit het getal der twaalve. En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
Grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten – Lukas 22
Lukas 22:15: En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;
Begeerd te ziften als de tarwe – Lukas 22
Lukas 22:31-32: En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd, om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.
Heere! zie hier twee zwaarden - Lukas 22
Lukas 22:38: En zij zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.
En in zware strijd, bad Hij te ernstiger – Lukas 22
Lukas 22:44: En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
Simon van Cyrene, kruis dragen - Lukas 23
Lukas 23:26: En als zij Hem wegleidden, namen zij enen Simon van Cyréne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
Tranen van dochters van Jeruzalem - Lukas 23
Lukas 23:27: En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.
Vader, vergeef het hun - Lukas 23
Lukas 23:34: En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Het gescheurde voorhangsel – Lukas 23
Lukas 23:45: En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest - Lukas 23
Lukas 23:46: En Jezus roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.
Omstanders op Golgotha - Lukas 23
Lukas 23:47-49: Als nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig. En al de scharen die daar samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hun borsten. En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die Hem tezamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.
De begrafenis van Jezus – Lukas 23
Lukas 23:50-52: En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man (Deze had niet medebewilligd in hun raad en handel), van Arimathéa, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; Deze ging tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus.
Wat zoekt u de Levende bij de doden? - Lukas 24
Lukas 24:5-6: En als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galiléa was,
De Emmaüsgangers – Lukas 24
Lukas 24:25-27: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben; Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
De verschijning aan de discipelen - Lukas 24
Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
Voor de grootste van de zondaars - Lukas 24
Lukas 24:47: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
De hemelvaart van de Heere Jezus Christus – Lukas 24
Lukas 24:50-51: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
Gekomen tot het Zijne, niet aangenomen – Johannes 1
Johannes 1:11: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Het Woord is vlees geworden – Johannes 1
Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.
Hij staat midden onder u - Johannes 1
Johannes 1:26-27: Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent; Dezelve is het Die na mij komt, Welke vóór mij geworden is, Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
Zie, het Lam Gods - Johannes 1
Johannes 1:29: Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.
En hij leidde hem tot Jezus – Johannes 1
Johannes 1:43: En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult genaamd worden Céfas, hetwelk overgezet wordt: Petrus.
Bruiloft te Kana – Johannes 2
Johannes 2:11: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
Nicodemus en de wedergeboorte – Johannes 3
Johannes 3:3: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Alzo lief heeft God de wereld gehad – Johannes 3
Johannes 3:16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Gods Geschenk (Luther) - Johannes 3
Johannes 3:16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
De Samaritaanse vrouw (deel 1) - Johannes 4
Johannes 4:7: Er kwam een vrouw uit Samaría om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.
De Samaritaanse vrouw (deel 2) - Johannes 4
Johannes 4:29: Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
Genezing zoon koninklijke hoveling – Johannes 4
Johannes 4:49: De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.
De verlamde in Bethesda - Johannes 5
Johannes 5:6: Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?
Vijf broden en twee vissen - Johannes 6
Johannes 6:9: Hier is een jonksken dat vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen?
Niemand kan tot Christus komen, tenzij! - Johannes 6
Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
Mijn schapen horen Mijn stem - Johannes 10
Johannes 10:27-28: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
De opwekking van Lazarus - Johannes 11
Johannes 11:25: Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
Jezus weende - Johannes 11
Johannes 11:35: Jezus weende.
Liefgehad tot het einde - Johannes 13
Johannes 13:1: En vóór het feest van het pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
Voetwassing, zelfvernederende liefde - Johannes 13
Johannes 13:4-5: Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek waarmede Hij omgord was.
Jezus ontroerd door de verrader (McCheyne) - Johannes 13
Johannes 13:21: Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.
Een nieuw gebod, elkander liefhebben - Johannes 13
Johannes 13:34: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.
Waarschuwing aan Petrus: De haan zal kraaien! - Johannes 13
Johannes 13:38: Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.
Ik ga heen om u plaats bereiden - Johannes 14
Johannes 14:2: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
Geboden bewaren en liefhebben – Johannes 14
Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.
Zonder oorzaak gehaat - Johannes 15
Johannes 15:25: Maar dit geschiedt opdat het woord vervuld worde dat in hun Wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat.
Die zal de wereld overtuigen van zonde (I) - Johannes 16
Johannes 16:8: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:
Die zal Mij verheerlijken (II) - Johannes 16
Johannes 16:14: Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.
Ik heb voleindigd het werk - Johannes 17
Johannes 17:4: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.
Bewaar ze in Uw Naam – Johannes 17
Johannes 17:11: En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.
Zo laat dezen heengaan - Johannes 18
Johannes 18:8: Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
Voor een stervende moordenaar - Johannes 19
Johannes 19:18: Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
Derde kruiswoord: Vrouw, zie uw zoon - Johannes 19
Johannes 19:26-27: Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.
Vijfde kruiswoord: Mij dorst - Johannes 19
Johannes 19:28: Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
Zesde kruiswoord: Het is volbracht - Johannes 19
Johannes 19:30: Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht; en het hoofd buigende, gaf den geest.
Terstond kwam er bloed en water uit - Johannes 19
Johannes 19:34: Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.
Petrus en Johannes bij het graf - Johannes 20
Johannes 20:8-9: Toen ging dan ook de andere discipel daarin, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde. Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.
Maria Magdalena (I) - Johannes 20
Johannes 20:15: Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.
Raak Mij niet aan (II) - Johannes 20
Johannes 20:17: Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
Vrede zij ulieden - Johannes 20
Johannes 20:19: Als het dan avond was op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren waar de discipelen vergaderd waren, om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
Ongelovige Thomas - Johannes 20
Johannes 20:27-28: Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.
Kolenvuur, vis en brood - Johannes 21
Johannes 21:9: Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.
Hebt gij Mij lief? - Johannes 21
Johannes 21:17: Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, Jona’s zoon, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
Toen u jonger was, gordde u uzelf - Johannes 21
Johannes 21:18: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.
Wat gaat het u aan? Volg gij Mij - Johannes 21
Johannes 21:22: Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.
Thuiskomen in de hemel - Handelingen 1
Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Opgenomen in de hemel - Handelingen 1
Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Deze Jezus zal alzo komen - Handelingen 1
Handelingen 1:10-11: En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding, Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Judas vervangen - Handelingen 2
Handelingen 1:16-17: Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen; Want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen.
De uitstorting van de Heilige Geest - Handelingen 2
Handelingen 2:1-2: En als de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten.
Twee soorten tongen - Handelingen 2
Handelingen 2:4: En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Vervulling op de Pinksterdag - Handelingen 2
Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Pinkstertekenen: wind, vuur, talen - Handelingen 2
Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Het wonder van de talen - Handelingen 2
Handelingen 2:7-8: En zij ontzetten zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet al dezen die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
Zij zijn vol van zoete wijn - Handelingen 2
Handelingen 2:12-13: En zij ontzetten zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? En anderen spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn.
Zonen en dochters profeteren - Handelingen 2
Handelingen 2:17-18: En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
De Naam des Heeren aanroepen - Handelingen 2
Handelingen 2:21: En het zal zijn dat een iegelijk die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
U hebt Jezus gekruisigd - Handelingen 2
Handelingen 2:23: Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
Prik in het hart - Handelingen 2
Handelingen 2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?
Toen werden zij verslagen in het hart - Handelingen 2
Handelingen 2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?
Het geneesmiddel voor verwonde harten – Handelingen 2
Handelingen 2:38: En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
U komt de belofte toe en uw kinderen - Handelingen 2
Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.
Genezing kreupele, preek van Petrus – Handelingen 3
Handelingen 3:19: Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,
Ananias en Saffira – Handelingen 5
Handelingen 5:1-2: En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have, En onttrok van den prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der apostelen.
Simon de tovenaar - Handelingen 8
Handelingen 8:9: En een zeker man, met name Simon, was tevoren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaría, zeggende van zichzelven dat hij wat groots was;
Saulus van Tarsen bidt - Handelingen 9
Handelingen 9:11: En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt;
Lydia, de purperverkoopster - Handelingen 16
Handelingen 16:14: En een zekere vrouw met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatíra, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
Bekering van de stokbewaarder – Handelingen 16
Handelingen 16:29-30: En als hij licht geëist had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten; En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde?
Paulus op de Areopagus - Handelingen 17
Handelingen 17:30-31: God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom dat zij zich bekeren; Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen door een Man Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
Paulus voor Felix en Drusilla - Handelingen 24
Handelingen 24:25: En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomende oordeel, Felix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.
De rechtvaardiging van de goddeloze - Romeinen 3
Romeinen 3:23-24: Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods, En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is;
Die door de Geest geleid worden - Romeinen 8
Romeinen 8:14: Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Abba, Vader! – Romeinen 8
Romeinen 8:15: Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.
Kinderen zijn ook erfgenamen - Romeinen 8
Romeinen 8:16-17: Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
De Geest komt onze zwakheden mede te hulp – Romeinen 8
Romeinen 8:26: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? - Romeinen 8
Romeinen 8:31-32: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
Troost voor achterblijvende kinderen - Romeinen 8
Romeinen 8:34: Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
Niets zal ons kunnen scheiden - Romeinen 8
Romeinen 8:38-39: Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
Met mond belijden en hart geloven - Romeinen 10
Romeinen 10:9: Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven dat Hem God uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
Paulus’ dankgebed voor de gelovigen - 1 Korinthe 1
1 Korinthe 1:4-5: Ik dank mijn God allen tijd over u vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus; Dat gij in alles zijt rijk geworden in Hem, in alle rede en alle kennis,
De Joden een ergernis, Grieken een dwaasheid – 1 Korinthe 1
1 Korinthe 1:23-24: Doch wij prediken Christus den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid, Maar hun die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de Kracht Gods en de Wijsheid Gods.
Natuurlijke mens en geestelijke mens - 1 Korinthe 2
1 Korinthe 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
Dienaars van Christus (intrede Woerden) - 1 Korinthe 3
1 Korinthe 3:7: Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God Die den wasdom geeft.
Christus, het Fundament van de Gemeente – 1 Korinthe 3
1 Korinthe 3:10-11: Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.
Hoogmoed en opgeblazenheid – 1 Korinthe 4
1 Korinthe 4:7: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt?
Een weinig zuurdesem - 1 Korinthe 5
1 Korinthe 5:7: Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Rechtszaken tussen broeders - 1 Korinthe 6
1 Korinthe 6:1: Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te rechte gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?
Lichaam tempel van de Heilige Geest - 1 Korinthe 6
1 Korinthe 6:19: Of weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?
De tijd is voorts kort, de wereld gaat voorbij
1 Korinthe 7:29-30: Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;
Doe dat tot Mijn gedachtenis - 1 Korinthe 11
1 Korinthe 11:24-25: En als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
Onwaardiglijk eten en drinken - 1 Korinthe 11
1 Korinthe 11:27-28: Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood en drinke van den drinkbeker.
Verwacht elkander - 1 Korinthe 11
1 Korinthe 11:33: Zo dan, mijne broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
De gemeente: verschillende leden, één lichaam - 1 Korinthe 12
1 Korinthe 12:12: Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van dit éne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.
Dood, waar is uw prikkel? - 1 Korinthe 15
1 Korinthe 15:55: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
Schat in aarden vaten
2 Korinthe 4:7: Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons;
Aardse tabernakel gebroken – 2 Korinthe 5
2 Korinthe 5:1: . Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen.
Laat u met God verzoenen - 2 Korinthe 5
2 Korinthe 5:20: Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.
Zonde voor ons gemaakt - 2 Korinthe 5
2 Korinthe 5:21: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Arm geworden, daar Hij rijk was – 2 Korinthe 8
2 Korinthe 8:9: Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
De aanhef van de Galatenbrief (deel 1) – Galaten 1
Galaten 1:3-5: Genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus; Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader, Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Geen mensen behagen (deel 2) – Galaten 1
Galaten 1:10: Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
De herkomst Evangelie vrije genade (deel 3) – Galaten 1
Galaten 1:11-12: Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
Confrontatie in Jeruzalem en Antiochië (deel 4) – Galaten 2
Galaten 2:16: Doch wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.
Door de wet aan de wet gestorven (deel 5) - Galaten 2
Galaten 2:19: Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.
Wie heeft u betoverd? (deel 6) - Galaten 3
Galaten 3:1: O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?
De rechtvaardige zal leven door geloof (deel 7) - Galaten 3
Galaten 3:11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
De wet een tuchtmeester tot Christus (deel 8) - Galaten
Galaten 3:24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
De Geest roept: Abba, Vader! (deel 9) – Galaten 4
Galaten 4:6: En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader.
Kind van Hagar of van Sara? (deel 10) - Galaten 4
Galaten 4:30: Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
De vrucht van het werk van de Heilige Geest (deel 11) - Galaten
Galaten 5:5: Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hoop der rechtvaardigheid.
Door Geest leven en wandelen (deel 12) - Galaten 5
Galaten 5:25: Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.
Wie meent iets te zijn (deel 13) - Galaten 6
Galaten 6:3-4: Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. Maar een iegelijk beproeve zijns zelfs werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander.
De prediking van het kruis (intrede Kapelle) – Galaten 6
Galaten 6:14: Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
Roemen in het vlees of in het kruis (deel 14) - Galaten 6
Galaten 6:14: Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
Een lofzang op Gods verkiezende genade - Efeze 1
Efeze 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
Levend gemaakt met Christus - Efeze 2
Efeze 2:4-5: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden),
Gevoelen dat in Christus Jezus was – Filippenzen 2
Filippenzen 2:5: Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was,
Ik acht alle dingen schade en drek - Filippenzen 3
Filippenzen 3:8: Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen;
Christus, Die onze Hoop is – 1 Timotheüs 1
1 Timotheüs 1:1: Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en van den Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is,
Alle aanneming waardig - 1 Timotheüs 1
1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
Zaligmakende genade Gods is verschenen - Titus 2
Titus 2:11-12: Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen, En onderwijst ons dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
Zalig gemaakt door het bad der wedergeboorte - Titus 3
Titus 3:4-5: Maar wanneer de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;
Vrijmoedig toegaan tot troon der genade - Hebreeën 4
Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.
Izak geofferd - Hebreeën 11
Hebreeën 11:17: Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd
De keus van Mozes aan hof van Farao – Hebreeën 11
Hebreeën 11:24-25: Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden; Verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;
Gisteren en heden Dezelfde – Hebreeën 13
Hebreeën 13:8: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.
Geen blijvende stad – Hebreeën 13
Hebreeën 13:14: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
Kostelijker dan goud (deel 2) - 1 Petrus 1
1 Petrus 1: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden;
Inleiding (deel 1) - 1 Petrus 1
1 Petrus 1:1-2: Petrus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galátië, Cappadócië, Azië en Bithynië, De uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
Wedergeboren tot een levende hoop - 1 Petrus 1:3
1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden;
Opwekking tot heilige wandel (3) - 1 Petrus 1
1 Petrus 1:15-16: Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelven heilig in al uw wandel; Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
Overheid en werkgever (deel 5) - 1 Petrus 2
1 Petrus 2: Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
Uiterste Hoeksteen (4) - 1 Petrus 2
1 Petrus 2:6: Daarom is ook vervat in de Schrift: Zie, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Onderdanigheid man en vrouw (deel 6) - 1 Petrus 3
1 Petrus 3:1: Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig; opdat ook zo enigen het Woord ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden,
Brief van Judas (deel 1) – Judas 1
Judas 1:1: Judas, een dienstknecht van JEZUS CHRISTUS, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:
Brief van Judas (deel 3) – Judas 1
Judas 1:22-23: En ontfermt u wel over enigen, onderscheid makende; Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt hen uit het vuur; en haat ook den rok die van het vlees bevlekt is.
Brief van Judas (deel 2) – Judas 1
Judas 2:8: Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.
Ik ben dood geweest, Ik ben levend - Openbaring 1
Openbaring 1:17: En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;
Het boek van Gods raad – Openbaring 5
Openbaring 5:7: En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen Die op den troon zat.
De grote nieuwjaarsmorgen – Openbaring 19
Openbaring 19:1: En na dezen hoorde ik als een grote stem ener grote schare in den hemel, zeggende: Hallelujah; de zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht zij den Heere onzen God;
De boeken werden geopend – Openbaring 20
Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
Ik zag de doden klein en groot - Openbaring 20
Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
Alle tranen van hun ogen afwissen – Openbaring 21
Openbaring 21:4: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
De Geest en de bruid zeggen: Kom! – Openbaring 22
Openbaring 22:17: En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
En die dorst heeft, kome - Openbaring 22
Openbaring 22:17: En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.