Zondag 40 · 8 januari 2023
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 40 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus behandelt het zesde gebod: gij zult niet doden. Dit gebod gaat verder dan de daad alleen — het treft de wortel van het kwaad in het hart: nijd, haat, toorn en wraakgierigheid. De preek nodigt uit tot eerlijk zelfonderzoek, tot zwijgen voor God als de moordenaar aan het kruis, en tot vluchten tot Hem. Want Christus is juist gekomen voor mensen die zichzelf als misdadiger hebben leren kennen.
Wat wil God in het zesde gebod?
ZONDAG 40
Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?
Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; ook mijzelf niet kwetse of moedwilliglijk in enig gevaar begeve; waarom ook de Overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren.
Vraag 106: Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.
Vraag 107: Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?
Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onzen vijanden goed doen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 40
THEMA
Wat wil God in het zesde gebod?
AANDACHTSPUNTEN
Wat wil God in het zesde gebod? Daarover gaat het vanmiddag de preek, de preek die gaat over Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus. Laten we die zondag eerst samen met elkaar lezen
Vraag 105. Wat eist God in het zesde gebod? Antwoord. Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen onteer, haat, kwets of dood; maar dat ik alle wraakgierigheid afleg; ook mijzelf niet kwets of moedwillig in enig gevaar begeef; waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren (Je hoort, jongens en meisjes, als ik dit antwoord voorlees, dat het gaat over wat de Heere zegt dat je niet mag doen.)
Vraag 106. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken? Antwoord. God, verbiedende de doodslag, leert ons dat Hij de wortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt. (Je hoort, jongens en meisjes, dit antwoord gaat over de vraag waar dat slechte vandaan komt: uit welke wortel, uit welke bron komt het?)
Vraag 107. Maar is het genoeg, dat wij onze naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden? Antwoord. Nee; want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onze vijanden goed doen. (Je hoort, jongens en meisjes, dit laatste antwoord gaat over wat een kind God door genade wel doet. Eerst ging het over wat je niet mag doen, nu gaat het over wat een kind van God door de genade van de Heere wel doet.)
Gemeente, wat is eigenlijk de bedoeling van het steeds weer bespreken van de Tien Geboden, van de bespreking nu vanmiddag van het zesde gebod? Je zou dat kunnen samenvatten met drie woorden. Het doel van die steeds weer terugkerende bespreking is, dat we zouden zwijgen voor God, dat we zouden vluchten, en dat we anders zouden gaan leven.
Dus, het doel van de steeds weer terugkerende bespreking van de geboden is, dat we zouden gaan zwijgen, vluchten en anders zouden gaan leven. Ik zal dat proberen uit te leggen.
a. Het eerste doel is dat we zwijgen zouden. Je weet, jongens en meisjes, als de Heere Jezus gekruisigd wordt op Golgotha, dan wordt Hij niet alleen gekruisigd. Op die heuvels staan drie kruisen. Wie worden er gekruisigd? Twee boeven, twee moordenaars, en daartussen de Man die nooit zonde gekend of gedaan heeft, de Heere Jezus. Zij, die twee moordenaars, spotten met Hem. Ze lasteren Hem, net als dat iedereen dat doet: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen! Als Hij dat doet, dan zullen we geloven dat Hij echt de Zoon van God is, zoals Hij gezegd heeft (zie: Mattheüs 27:42Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.). Ze spotten met Hem. Totdat één van die twee mannen stiller wordt. Hij gaat zwijgen. Hij gaat inzien dat hij geen pechvogel is, omdat hij toevallig door de Romeinen is opgepakt en straf moet ondergaan. Hij gaat (door het werk van de Heere in zijn hart) inzien dat hij tegen God gezondigd heeft. En dus zegt hij: mijn straf is rechtvaardig, het is mijn verdiende loon (Lukas 23:41En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.). Hij spot niet meer, hij heeft geen commentaar meer, hij heeft geen weerwoord meer, hij heeft geen excuus meer, hij zwijgt. Zondag 40, de bespreking van het zesde gebod, heeft de bedoeling om ons het zwijgen op te leggen.
2. Het tweede doel van de bespreking van de geboden is dat we vluchten zouden. Ik bedoel te zeggen: dat we zouden gaan doen, wat hij (die moordenaar aan het kruis) ook deed. Hij wist, hij geloofde, hij voelde: ik ben schuldig, ik heb de wet van God overtreden. Maar hij deed niet wat veel mensen wel deden en doen: afwachten, berusten, excuses bedenken. Wat deed hij dan wel? Hij vluchtte naar de Heere toe, en bad: Heere denk aan mij, wees mij genadig (Lukas 23:42). Zondag 40, de bespreking van het zesde gebod, wil ons in de nood brengen, opdat we zouden gaan vluchten tot God en zouden gaan bidden om vergeving en genade.
3. En het derde doel van de bespreking van de geboden is, dat we anders zouden gaan leven. Ja, want als de Heere Zijn kinderen vergeving van zonden geeft, dan is het niet de bedoeling dat zij doorleven in de zonde. Het is niet de bedoeling dat we zeggen: laten wij maar in de zonde blijven leven, hoe meer zonden we doen, hoe meer genade we krijgen (Romeinen 6:1-2Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?). Het doel van het werk van God in ons hart is, dat we anders zullen gaan leven, in een nieuw leven, in een nieuwe gehoorzaamheid.
Nee, dat is geen eigen prestatie. Dat kan alleen maar als we iedere dag kracht en genade van de Heere krijgen, om naar de wil van de Heere te leven (Hosea 14:8Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.). Zonder die genade, zonder die kracht van de Heere, vallen we in de zonde.
Zondag 52 van de catechismus zegt (antwoord 127): Wij zijn van onszelf zo zwak, dat wij niet een ogenblik staande kunnen blijven. Heeft de Heere Jezus het ook niet Zelf gezegd? Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen (Johannes 15:5Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.). Zonder Mij kunt u niets doen. Daarom zingen we vaak na het voorlezen van de Wet: Gun (dat wil zeggen: geef), ons door het geloof in Christus… Wat? Krachten! Want wij hebben van onszelf geen krachten. Maar geef ons door het geloof in Hem, krachten om die geboden te doen uit dankbaarheid.
Met dat in ons achterhoofd, luisteren we vanmiddag ook naar de wil van de Heere in het zesde gebod. Het thema voor de preek van vanmiddag is: Wat wil de Heere in het zesde gebod? We gaan op drie aandachtspunten letten 1. Wat de Heere zegt dat we niet mogen doen (de zonde van het doden van een medemens; dat staat in vraag en antwoord 105) 2. Waar dat slechte vandaan komt (de wortel van dat kwaad, van die zonde; dat staat in vraag en antwoord 106) 3. Wat een kind van God door genade wel doet (de eis van de liefde en de liefdewens van het hart; dat staat in vraag en antwoord 107) Als eerste dus:
De catechismus zegt: ik mag mezelf of iemand anders niet onteren, haten, kwetsen of doden.
a. Niet onteren. Niet iemand anders zijn of haar eer afnemen. Welke eer? De eer die God aan ons mensen gegeven heeft, namelijk dat we geschapen zijn naar Zijn beeld. Wij mensen hebben het leven van de Heere gekregen. Toen Adam geschapen werd, toen blies de Heere in zijn neus, en toen ging Adam leven door de adem van de Heere God (Genesis 2:6-7Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem. En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.). Dus onze levensadem is van God. De mens is niet zomaar een ding, maar iemand die door God geschapen is.
Dus mag je niemand die eer afnemen, je mag niemand onteren. Je mag niet zeggen: ‘jij bent dom, jij bent stom, jij ziet er lelijk uit, jij doet raar, ik vind jou niet mooi, jouw velletje is bruin of zwart, jij hebt rare kleren, jij hebt lelijke piekharen en een nare pukkel op je neus, je ogen staan scheef, je oren zijn te groot en dus mag jij lekker niet op mijn feestje komen’. Je zegt: ‘dat is lelijk, dat is gemeen!’ Ja, dat is het ook! Pesten heet dat. Heel lelijke dingen zeggen over iemand. En dat is verkeerd, dat is zonde.
Want je zegt lelijke dingen over een jongen of over een meisje die door God gemaakt is. Pesten is dus zonde tegen God, en ook tegen een medemens. Maar toch gebeurt het wel. Op school, onderweg, op de catechisatie, op de vereniging. Niet doen, jongens en meisjes. Niet doen, ouderen. Je onteert er het beeld van God mee. Je tart God ermee. En als je gepest wordt, jongens en meisjes, vertel het dan maar eerlijk thuis, op school, op de catechisatie of op de vereniging, zodat we je kunnen helpen. Niet onteren, niet pesten. En (dat is het tweede)
b. Niet haten. Je voelt, dat gaat verder. De broers van Jozef haatten hem. En uiteindelijk leidde het ertoe dat ze hem probeerden te doden. Misschien heb jij ook wel een verschrikkelijke hekel aan iemand. Je haat zo iemand. Dat is niet goed. Niet onteren, niet haten, en ook (dat is het derde)
c. Niet kwetsen of verwonden. Niet iemand anders slaan, schoppen, knijpen, krabben of erger. Niet iemand beschadigen of verwonden, zoals Petrus deed, toen hij met zijn zwaard het rechteroor van Malchus eraf sloeg (Johannes 18:10Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.). Je kan trouwens ook jezelf pijn doen, kwetsen of beschadigen, door te snijden of te krassen op je armen of benen of op andere plaatsen. Niet doen. Stop er mee, zoek hulp. Niet onteren, niet haten, niet kwetsen en (want daar kan het uiteindelijk allemaal op uitlopen):
d. Niet doden. Kain had een verschrikkelijke hekel aan Abel, zijn broer. En op een dag sloeg hij hem dood met een knuppel (Genesis 4:8En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.). Wat doe je dan eigenlijk, als je iemand vermoordt? Dan neem je hem of haar af, wat God aan die ander gegeven had: de adem. Dus kwets je niet alleen je medemens, je doet niet alleen iets heel ergs tegen een mens, maar je doet vooral ook iets heel ergs tegen God.
Met? Ja, je kan het doen met een knuppel, een mes of een pistool. Dan ga je de gevangenis in, als je tenminste opgepakt wordt. Maar het kan ook veel subtieler, het kan veel onzichtbaarder. Je kan klein, onzichtbaar leven in een vroege zwangerschap doden door een abortus of door een abortief werkend anticonceptiemiddel. Niet doen jongens. Niet op aansturen. Niet dwingen. Meiden, houd je baby, spaar je zwangerschap, er is hoop. Je weet niet wat je later mist, als je je zwangerschap laat afbreken. We staan om je heen.
Het kan subtiel, onzichtbaar, aan het begin van het leven, maar ook aan het einde van het leven. Praat goed met de dokter als familie over het doel van dat morfinepompje. Over wat het doet en over wat het niet doet. En leg, ouderen, van tevoren dingen vast, zeker ook de wijze waarop u wel of niet sterven wilt.
Maar, zegt catechismus, het kan nog subtieler. Niet alleen met de daad, maar ook met…? Het kan ook met gebaren. Je weet wel, jongelui, zo’n dreigend, snijdend gebaar met je wijsvinger, als een mes door je keel. Het kan met woorden. Stik! Krijg de een of andere nare ziekte! Het kan met je ogen. Blikken kunnen doden. Het kan onzichtbaar, zonder woorden. Je kan iemand ‘doodzwijgen’. Het kan met gedachten. Haman zag in gedachten Mordechai al hangen aan de galg (Esther 5:14). Je kan in je gedachten iemand verwensen, iemand toewensen dat hij sterven zal.
Niet doen, zegt de catechismus. Leg af de wraakgierigheid. Je bent belust op wraak, je hart is vol wrevel. Je denkt: ik moet, ik zal het hem of haar betaald zetten. En zo blijft ondertussen die familieruzie jaar in jaar uit bestaan. Paulus zegt tegen de Kolossenzen: Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond (Kolossenzen 3:8Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.).
En breng ook jezelf (het gaat niet alleen over anderen, maar ook over jezelf), breng ook jezelf niet expres in gevaar. Bijvoorbeeld door heel gevaarlijke dingen te doen. Door zogenaamd heel stoer de straat over te steken zonder te kijken. Door heel hard te rijden. Door auto te rijden terwijl je gedronken hebt. Je kunt jezelf zelfs van het leven beroven, jezelf doden, door veel te veel te drinken, of door je lijf te verwoesten met roken. Dat is zonde tegen God.
Het doden van jezelf door zelfmoord te plegen, is ook een heel grote zonde. Er kunnen omstandigheden in het leven zijn, die mensen ertoe dringen. Nee, ik doel niet op de heel bewuste, zelfgekozen dood van mensen, die met vol bewustzijn zelf beslissen over leven en dood, als een ultieme daad van verzet tegen God, Die leven geeft en leven neemt. Maar er zijn ook mensen die worstelen met ernstige somberheid, met stemmen, met angst en eenzaamheid, zodat ze geen uitzicht meer hebben, zodat ze in hopeloosheid de weg niet meer weten. Soms overrompeld door een psychische kwaal, door vlagen van verwardheid van denken, waarin gedachten van zelfmoord omhoog kunnen komen, waarin mensen soms tot de impulsieve daad zelf kunnen komen.
Het oordeel over het eeuwige lot van de zelfmoordenaar komt ons niet toe. Het is zondermeer duidelijk dat zelfdoding een ernstige zonde is. Dat God al Zijn kinderen daarvoor bewaart, dat lees ik nergens in de Bijbel. Er zijn voorbeelden te over van kinderen van God die in ernstige zonden vallen. Nogmaals, dat het een heel erge zonde is, dat staat vast. Maar de Bijbel zegt ook: Oordeelt niet (dat wil zeggen: vel geen eindoordeel), opdat u niet geoordeeld wordt (Mattheüs 7:1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.). De voorbeelden die in de Bijbel staan (in totaal zes) zijn allemaal voorbeelden van mensen die geleefd hebben, die zich gewenteld hebben in de zonde. Als Simson sterft, is dat een daad van zelfopoffering, geen daad van bewuste zelfdoding. Dat laatste geldt wel van de zes zelfmoordenaars die in de Bijbel genoemd worden.
Van één van hen, koning Zimri, staat letterlijk in de Bijbel dat hij stierf om zijn zonde, die hij (in zijn leven!) gezondigd had (1 Koningen 16:15-20In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is. Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israël ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israël, in het leger. En Omri toog op, en gans Israël met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza. En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf; Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?).
Laat ik vanmiddag vooral dit zeggen: u die hier soms of vaker mee worstelt, doe uzelf geen kwaad (Handelingen 16:28Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.). Houd in gedachten, ook op de moeilijkste momenten van uw leven, het woord van de Heere Jezus: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Johannes 6:37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.). Vlucht met uw wanhopige gedachten tot God, en zeg biddend: Heere, denk toch aan mij!
U zegt: ‘nou, tot nu toe valt het, als ik zo luister naar de inhoud van het zesde gebod, erg mee… met mij…’ Zo’n uitspraak heb ik vaker gehoord. O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, (moordenaars), rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar (Lukas 18:11b). Voordat u meer gaat zeggen…, volg het voorbeeld van de moordenaar aan het kruis. Zwijgen… Kijk eens eerlijk in uw hart. Hebt u nooit uw naaste, vriend of vijand, in uw gedachten onteerd of met een woord gekwetst? Bent u vrij van haat? Johannes schrijft: Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en u weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende (1 Johannes 3:15Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.). Daarmee spreekt Johannes, daarmee spreekt de Heere over uw leven het oordeel uit. U hebt het eeuwige leven niet, zolang u blijft wie u bent.
Zeker, je kunt voor het oog leven naar de letter van de wet: nooit iemand anders met een mes achterna gezeten, nooit iemand vermoord, maar… Maar, zo zegt Paulus: toen het gebod in mijn leven gekomen is, toen werd de zonde levend (Romeinen 7:9En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.). Eerst leefde ik zonder de wet. Stipt volgens de wet, maar in mijn hart toch zonder de wet. Maar toen God die wet me als een spiegel ging voorhouden, toen werd de zonde levend. Zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (Romeinen 7:9). Toen stierf die nette mens, toen ging ik zwijgen. En toen bekende ik aan U (we gaan dat samen zingen), o Heere, oprecht mijn zonden. Toen verborg ik geen kwaad, dat in mij werd gevonden. Maar ik beleed na ernstig overleg, mijn boze gedachten, woorden en daden. U nam die gunstig weg. We gaan dat samen zingen uit Psalm 32:3. 'k Bekend', o HEER, aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed na ernstig overleg, Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
Hebt u dat weleens gedaan? Aan de Heere uw zonden beleden, zodat er geen kwaad in overbleef, dat u voor Hem probeerde te verbergen? Ik beleed na ernstig overleg mijn boze daden, de zonden die ik had gedaan… Maar, zo zegt David in Psalm 51: er bleek, tot mijn schrik, veel meer aan de hand te zijn: Ik ben (zelf) in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren (Psalm 51:7). Er zit een verkeerde wortel in mijn hart. Dat gaan we zien in onze tweede gedachte:
Je zou kunnen zeggen: dat gaat om de bron, om de wortel van het kwaad. Want antwoord 106 van de catechismus zegt: De Heere leert ons ondertussen ook dat Hij de wortel (de bron, waar het allemaal vandaan komt) van de doodslag, namelijk nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt. Misschien is uw leven zo netjes als dat van een farizeeër. Misschien denkt u: ‘God zal me best heel netjes en voorbeeldig vinden, zeker als Hij mij vergelijkt met iemand anders.’ Maar ik moet u teleurstellen: God haat de wortel van het kwaad in uw hart.
Deze wortel van het kwaad: dat u anderen soms het licht in de ogen niet gunt, en dat uw hart soms zo vol is van wrevel en afgunst, dat u graag zou zien dat God anderen iets betaald wilde zetten. Dat alles houdt God voor moord. Hier komt Nathan binnen, die zegt: U bent die man, u bent die vrouw! (2 Samuël 12:7Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;) Koning, u lijkt wel voorbeeldig, maar God heeft uw hart en wegen gezien en uw gedachten doorgrond. U bent (en het wordt geschreven op de wand van uw hart en leven), u bent gewogen, gewogen en te licht bevonden (Daniël 5:25Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.).
O, laat deze woorden ons toch ontdekken. Laten die ons toch ontdekken aan wie wij zijn: eerrovers van God. Mensen die zichzelf door de zonde vermoord hebben, mensen met een hart, dat niet anders is dan een bron van moorddadige gedachten. Een moordenaar? Dat ben ik! Opdat ik zwijgen zou, en zeggen zou (net als de moordenaar aan het kruis): het is rechtvaardig, ik heb Uw straf verdiend. Opdat ik, net als de moordenaar aan het kruis, in de nood van mijn leven van mezelf af zou zien, vluchten zou, en zou zeggen: ‘Heere, denk aan mij? Wees mij, moordenaar, genadig!’
Dit gebod wil ons met andere woorden een bepaalde kant op dringen. Het wil ons onze zonden laten zien en ons als pedagoog, als tuchtmeester, als iemand die ons pijnlijk onze zonden en onze onmogelijkheid om onszelf ooit te verbeteren laat zien en voelen, bij Christus brengen (Galaten 3:24-25Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.).
Hij kende geen zondige nijd, toorn, haat of wraakzucht. Hij stierf op Golgotha niet om Zijn eigen zonden. Maar Hij wilde uit enkele liefde, uit enkele zondaarsliefde met de misdadigers gerekend zijn. Niet voor niets wilde Hij sterven tussen twee moordenaars. Dat was niet toevallig, dat was Gods plan en dat was Zijn wil. Voor zulk soort van mensen kwam Hij, en in dat gezelschap(!) bewijst Hij ook Zijn genade.
Dus als u vanmiddag zegt: ‘zo ben ik niet’, dan sluit u uzelf buiten de zaligheid. Als u denkt of zegt, dat u beter bent, dan sluit u uzelf buiten.
Is dat niet de reden, ouderen onder ons, dat zo velen van u aan de avond van uw leven gekomen, moeten zeggen: ‘ik ben nog steeds onbekeerd’? Hebt u uzelf niet uw leven lang tot de verkeerde groep van mensen gerekend? U hebt uzelf gerekend bij de goede soort van mensen, bij nette mensen, bij mensen van goede wil, die het zo goed bedoelen en zo goed proberen... Maar daarmee hebt u uzelf (en kijk God daar dus niet op aan!), daarmee hebt u uzelf buiten gesloten. U hebt altijd gedacht: ‘het is raar, de Heere zegt slechte mensen zalig te willen maken, maar daar hoor ik helaas niet bij…’
Kom, mensen, er is nog een weg om zalig te worden. De moordenaar aan het kruis (soortgenoot van ons) wijst u en mij de weg: zwijgen. Zwijgen en zeggen: ‘Heere, U bent rechtvaardig. Ik heb altijd gedacht dat ik goed was, dat ik netjes was, dat ik van goede wil was, dat ik beter was dan anderen, maar nu blijkt dat het anders is. Ik ben die man. Ik ben die vrouw. Ik heb gedaan, alles(!), wat kwaad is in Uw oog. En de wortel van alle kwaad groeit hier van binnen in mijn hart. En de boom van kwaad die daar uit groeit, bloeit en tiert welig. Maar ik heb het nooit eerder zo gezien. Genâ, o God, genâ, hoor hoe een misdadiger, hoor hoe een boeteling pleit?’
Wat een troost voor u, zoekende, met deze zonde worstelende zondaars. Jezus kwam juist voor mensen zoals u. Christus, dat ziet u op Golgotha, bewijst genade in een gezelschap van moordenaars, aan… een moordenaar. Hij bad voor mensen, juist zoals u: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen (Lukas 23:34) Bid maar eenvoudig: Heere, denk aan mij.
Als je in je eigen leven iets mag kennen van de genade van die Heere Jezus Christus, die aan het kruis gehangen wilde worden voor en tussen misdadigers, om vijanden met God te verzoenen, dan kan het niet anders, dan komt er ook een beginsel van nieuw leven, een beginsel van een nieuwe gehoorzaamheid in je hart, van gehoorzaamheid ook aan dit gebod. Dat zien we tot slot in onze derde gedachte:
Namelijk: de eis van de liefde, en het is tegelijkertijd de wens van het vernieuwde hart. Laten we nog een keer kijken naar vraag en antwoord 107: Vraag 107. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden? Antwoord. Nee. Want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is afkeren, en ook onze vijanden goed doen. God liefhebben boven alles (dat is de liefde-eis van de wet) en onze naaste als onszelf. Dat doen uit dankbaarheid, dat is de roeping van al Gods kinderen: liefhebben.
Dat je een ander niet doodt, dat is namelijk nog geen bewijs van gehoorzaamheid of van liefde. Want je kan dat ook gewoon niet doen uit egoïsme, uit zelfzucht, of omdat je niet in de gevangenis terecht wilt komen. Maar de kern van gehoorzaamheid is liefde. Je naaste, vriend of vijand, liefhebben als jezelf.
Jezelf liefhebben, dat is het liefhebben van je eigen leven als datgene wat God je gegeven heeft. Zeker, het is ondergeschikt aan de liefde tot God. God liefhebben boven alles. En echte zelfliefde leidt ook niet tot trots of hoogmoed, eerder en juist tot ootmoed. Want het is een erkenning van wat God aan je gegeven heeft. Paulus zegt: door genade ben ik, dat ik ben (1 Korinthe 15:10Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.). Ik ben niet meer van mezelf, maar ik ben door genade het eigendom geworden van de Heere Jezus Christus (zondag 1). En dus is het tegelijkertijd ook een mishagen van mezelf, van mijn oude, zondige ik.
Je naaste liefhebben als jezelf. Goed doen aan iedereen: bekend of onbekend, Nederlander of buitenlander, van hier of vluchteling, het maakt allemaal geen verschil. Zelfs mijn vijanden moet ik liefhebben als mezelf (Mattheüs 5:44Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;).
Betekent dat, dat ik vooral aardige dingen moet zeggen tegen andere mensen? Nee, de catechismus zegt: je moet het doen, laat het zien, je moet het (zo staat er letterlijk) bewijzen. Geduld en vrede bewijzen, zoals Paulus zegt in de Romeinenbrief: Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen (Romeinen 12:18Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.). Zachtmoedigheid bewijzen, naar het voorbeeld van de Heere Jezus Christus, Die zei: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart en u zult rust vinden voor uw zielen (Mattheüs 11:29Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.). Barmhartigheid bewijzen, medelijden bewijzen met mensen in nood, mensen in nood te hulp komen. Zoals de Heere Jezus zei: Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is (Lukas 6:36Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.). En vriendelijkheid bewijzen. Niet als een aangename karaktertrek, maar als een grondhouding, als een levenshouding van een vernieuwd hart.
Zoals Petrus zegt in zijn brief: En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk. Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zou beërven (1 Petrus 3:8-9En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.).
Daartoe zijn wij, kinderen van God, geroepen. Maar…, kan ik dat in eigen kracht? Nee, dat kan alleen als ik volmaaktheid vraag, put en krijg uit de volmaakte Christus. Aan het beeld van Christus gelijkvormig worden is geen eigen prestatie. Het is genade en tegelijkertijd opdracht. En dus dringt het ons tot een blijvend gebed: O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.
Eertijds waren wij, kinderen van God: Onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Die (zegt Paulus) God over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker (Titus 3:3-6Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes; Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;) Alleen door het werk van de Heilige Geest kunnen we leren wandelen, door de kracht van Christus, in het spoor van dit gebod.
Als een liefdedienst vanwege de Heere Jezus Christus en Zijn werk. Daarom, Heere, doe ik Uw gebod, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan (Psalm 119:83Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten., ber.).
Gemeente, jongens en meisjes, luister niet alleen naar het Woord, maar doe het ook. Wees daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jakobus 1:22En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.)
Amen.
Slotzang Psalm 139:1,13,14
Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid. Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân; Gij weet mijn zitten en mijn staan; Wat ik beraad', of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten.
Zou 'k hen niet haten in mijn hart, Wier snode haat Uw goedheid tart? Zou ik hen, die U weerstand biên, Niet met verdrietig' ogen zien? 'k Zal hen altijd volkomen haten, Die trotselijk Uwen dienst verlaten.
Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m', en zie, of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed'; En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden.
Andere preken over Zondag