PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 19: De verhoogde Christus (serie 2)

Zondag 19 · 24 maart 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 19 (serie 2)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 19, "De verhoogde Christus", behandelt de laatste stappen van Zijn verhoging: Hij zit aan Gods rechterhand en zal wederkomen. Vanuit de hemel regeert Christus als Hoofd van Zijn Kerk, ook door gesloten wegen heen op Zijn tijd vervullend wat Hij beloofd heeft. Hij zegent door Zijn Heilige Geest hemelse gaven uit te gieten en Zijn kinderen tegen alle vijanden te beschutten. En Hij zal wederkomen als Rechter, Die al Zijn en mijn vijanden verdoemt, maar de uitverkorenen tot Zich neemt in eeuwige blijdschap.

THEMA

De verhoogde Christus

KERNPUNTEN

  1. De regering van Christus uit de hemel
  2. De zegen van Christus uit de hemel
  3. Het oordeel van Christus uit de hemel

ZONDAG 19

Vraag 50: Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelf daar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk, door wien de Vader alle ding regeert.

Vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Eerstelijk, dat Hij door zijn Heiligen Geest in ons, zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Vraag 52: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte, die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 19: De verhoogde Christus (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 19

THEMA

De verhoogde Christus

Gemeente, jongelui, de laatste preken over de Catechismus gingen over de trappen van de verhoging van de Heere Jezus Christus. Hij is eerst opgestaan, dat was de eerste trap. Daarna is Hij ten hemel gevaren, dat was de tweede trap. En nu komen we bij de derde en de vierde trap van Zijn verhoging: Hij zit aan Gods rechterhand, en Hij zal terugkomen op de wolken.

Trappen van verhoging. Dat is opmerkelijk, want voor het oog lijkt het alsof de Heere verder weg is dan ooit. Maar we zullen zien dat dat niet zo is. De Heere is niet verder weg. Integendeel, Hij is dichterbij dan toen Hij op aarde was. Hij is ook niet minder geworden. Integendeel, Hij is meer geworden. Dat zien we ook in de psalm die ons is voorgelezen. Laten we daar eerst even bij stilstaan. Psalm 110 is een Koningspsalm. Een psalm die in het Nieuwe Testament meer dan twintig keer wordt aangehaald, telkens wijzend op de verhoogde Christus.

Psalm 110, vers 1: Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand. Daarmee verheft God de Vader Zijn Zoon als Middelaar tot de hoogste macht en majesteit. En geeft Hem alle macht in hemel en op aarde, als loon op Zijn Middelaarswerk. Totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. Zijn vijanden willen niet dat Hij Koning over hen zal zijn. Maar Hij zal hen vernederen, onder Zijn voeten.

Kijk maar naar vers 2: De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden. Vanuit het middelpunt van de openbaring, vanuit Sion, vanuit de Kerk, in de hemel en op de aarde, heerst Christus in het midden van Zijn vijanden. Als Koning regerend van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.

Vers 3: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht, in heilige sieradiën; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn. Zo fris, ontelbaar en schitterend als de dauw die met de dageraad opkomt, zo ontelbaar als het zand aan de oever van de zee en als de sterren aan de hemel. Zo zal Zijn volk zijn, blinkend in heilig sieraad.

Zeer gewillig. Geen huurlingen, maar kinderen. Niet gedwongen, maar gedrongen door de liefde van Christus. En dit op de dag van Zijn heirkracht, van Zijn opstanding en van Zijn hemelvaart.

De HEERE heeft gezworen (vers 4) en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek. (Ps. 110:4) Christus is Koning over Sion, over de Kerk. En tegelijkertijd, wat geen koning van Israël was of mocht zijn, is Hij ook Priester in eeuwigheid. Koning om Zijn volk te regeren, te beschermen en te bewaren. Priester om hen met God te verzoenen en van alle ongerechtigheid te reinigen.

Vers 5 en 6: De Heere is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns. Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene die het hoofd is over een groot land. Enerzijds schittert alles van de liefde van Christus voor zondaars. Anderzijds is ook de keerzijde van Zijn liefde zichtbaar: Zijn toorn tegen Zijn vijanden, die in hun ongeloof en verwerping van Hem tot het einde toe volharden.

Hij zal (vers 7) op de weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoogheffen. Christus is als een Held, Die Zichzelf geen rust gunt en dorstig – terwijl Hij bezig is – Zijn dorst lest aan een beek langs de weg. Om dan weer, verkwikt en versterkt, met nieuwe moed Zijn vijanden te vervolgen en de strijd voort te zetten. Totdat zij geheel aan Hem onderworpen zijn. Het tekent de hitte van de strijd van de lijdende Middelaar aan het kruis. Maar het tekent ook de hitte van de strijd die Hij als verhoogde Koning, met opgeheven hoofd, voert.

Zie hier, kinderen van God, uw Koning! Machtig, onoverwinnelijk, triomf voerend. En zie hier, o vijanden van Christus, uw machtige Tegenstander. U zult in uw gevecht met Hem geen stand kunnen houden. Hijs dan toch nu de witte vlag van uw overgave aan Hem. Handel verstandig, zoals staat in vers 11 en 12: Dient de HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.

We gaan samen kijken naar Zondag 19. Naar de Zondag die gaat over de laatste stappen van de verhoging van de Heere Jezus Christus.

Vraag 50. Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelf daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijk Kerk, door Wie de Vader alle ding regeert Dat gaat over: de regering door Christus vanuit de hemel.

Vraag 51. Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Eerstelijk dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart. Dat gaat over: de zegen van Christus vanuit de hemel.

Vraag 52. Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht. Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. Dat gaat over: het oordeel van Christus uit de hemel.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: De verhoogde Christus

We letten samen op drie aandachtspunten, op: 1. Zijn regering 2. Zijn zegen 3. Zijn oordeel Als eerste dus:

1. De regering van Christus uit de hemel

Christus is ten hemel gevaren en zit aan Gods rechterhand. Dat is geen hypothese, geen theorie. Dat is een feit. Sterker nog, dat is meer dan een feit alleen. Dat is een belofte! Want van daaruit regeert Christus over Zijn kerk. Als (zo zegt antwoord 50), als het Hoofd van Zijn Christelijke Kerk, door Wie de Vader alle ding regeert.

En, zegt de Catechismus, dat bewijst Hij vandaar. Dat toont Hij aan en zal Hij aantonen. Zoals de dichter zingt: De Heere regeert en zal Zijn almacht tonen. En dat wil Gods kinderen het hoofd omhoog laten richten. Er is zoveel in deze wereld, er is zoveel in ons leven wat ons kan teleurstellen of ontmoedigen. Waardoor we met Asaf denken: Zou God Zijn genade vergeten zijn? Zouden Zijn beloftenissen hun vervulling gaan missen?

Hoe dat komt? Omdat we naar beneden kijken, naar de omstandigheden. Omdat we rekenen met wat we zelf denken. Omdat we letten op wat de wereld, op wat de kerk en de mensen zeggen. En dan vergeten we, dat de Heere alles in Zijn handen heeft. Dat geen schepsel zich zonder Zijn wil kan roeren of bewegen. Dat Hij alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Dat Hij doen kan boven bidden en denken. En dat Hij in Zijn trouw nooit één van Zijn woorden op de aarde laat vallen. Hij zal het (zegt de Catechismus) bewijzen, dat Hij regeert! Vanaf de plaats van de bijzondere eer, die Hij gekregen heeft: zittend aan de rechterhand van Zijn Vader. Een plaats van bijzondere eer en macht.

En dat maakt, kinderen van God, geliefde medechristenen, dat hoe de omstandigheden ons ook kunnen ontmoedigen, hoe alles ook tegen kan lopen, hoe onmogelijk de vervulling van Gods belofte ook mag lijken, er geen reden is om in paniek te raken.

Want Christus regeert. Maar, niet vergeten, wel volgens Zijn Eigen plan. En dus maakt de Heere geen haast, om de dingen te doen op onze tijd. Hij heeft Zijn Eigen vastgestelde tijden. Maar Hij heeft ook nog nooit één ding beloofd, om dat vervolgens niet te doen. Hij heeft nooit één werk gedaan, om dat vervolgens weer los te laten. Op Zijn tijd zal Hij doen wat Hij gesproken heeft.

En dus, u die de Heere verwacht, biddend en pleitend op Zijn woord: Hoop op Hem! Op Zijn tijd zal Hij spreken, en het is er. Zal Hij gebieden, en het staat er. En dat zal geen mens kunnen blokkeren. Want Hij regeert! De Bijbel staat vol van voorbeelden die aantonen en bewijzen, dat de Heere regeert en dat Hij Zijn beloftewoorden vervult. Maar meestal wel door een weg van onmogelijkheid aan onze kant. Opdat Hij als de opperste Koning alleen alle eer ervan zou krijgen.

a. Denk maar aan Jozef. Hoe wordt het Woord van de Heere vervuld door een weg van onmogelijkheid. De Heere heeft hem grote dingen beloofd. Maar dan wordt hij verkocht als slaaf naar Egypte. En dan, als hij daar ook nog in de gevangenis komt, dan lijkt het uitgesloten dat het ooit nog goed zal komen. Maar de Heere, zo zegt hij zelf, zegent hem in het land van zijn verdrukking. God Zelf gaat op Zijn tijd verandering geven. Na het zure komt het zoet. Als de Heere gaat ingrijpen. Zoals Hij dat nog steeds doet, op Zijn tijd en op Zijn wijze, in het leven van Zijn kinderen. Want Hij regeert!

b. Denk ook maar aan het volk Israël, jaren later. Door Gods wonderlijke macht zijn ze uitgeleid uit de slavernij in het land Gosen in Egypte. Op weg naar het beloofde land… Maar Gods weg gaat door de onmogelijkheid. Ze lopen vast, voor een gesloten Rode Zee. Zou het Woord van de Heere, waar ze zo op hadden gehoopt, wel waar geweest zijn? Zouden ze zich niet vergist hebben? Een gesloten weg…

Zoals er ook nu in het leven van Gods kinderen van die gesloten wegen kunnen zijn. Waarin we zo geneigd zijn om op de Heere te gaan mopperen. Of om moedeloos bij de pakken neer te gaan zitten. In plaats van te vertrouwen op de macht van onze Heere, Die alle macht heeft. En biddend te zeggen: Gedenk aan het Woord, gesproken tot Uw knecht. Wachtend op Hem, op onze Koning. Die vanuit de hemel regeert en vandaar Zijn almacht toont. Door zulke gesloten wegen op Zijn tijd, tot onze verwondering, voor ons te openen.

De Heere, zegt de Catechismus, bewijst Zich het Hoofd van Zijn kerk te zijn: Aan Wie de Vader gegeven heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Dus, kinderen van God, als dit nu uw leven tekent: gesloten wegen, onmogelijkheden, moed benemende omstandigheden... Wees dan niet overmatig teleurgesteld. Raak dan niet ontmoedigd. Maar hoop op de Heere. Die op Zijn tijd. Niet op onze tijd… Die op Zijn manier. Niet op onze manier…

Zeker zal doen wat Hij beloofd heeft. Hij heeft Zijn Naam eraan verbonden: Hij is een Waarmaker van Zijn Woord. Wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. Hoop dan toch stil op Hem. En leer leven door het geloof. Houd u vast aan Zijn Woord. En als er dingen gebeuren die u totaal niet kunt plaatsen, op uw werk, in de wereld, in de kerk, bedenk dan tot uw troost dat er niets is, werkelijk niets, wat zich onttrekt aan de regering van Christus.

Dat wil niet zeggen dat alles wat wij doen en wat andere mensen doen, goed is. Daar is veel zonde, bij ons, in de wereld, en ook in de kerk. Maar Christus weet ervan. En het glipt Hem niet en nooit door de vingers. Dus, hoe het ook mag tegenlopen in uw leven, blijf op Zijn goedheid hopen. En laten we onze levens en onze toekomst maar in Zijn handen geven. Daarin, in Zijn handen, zijn we meer dan veilig.

Dit schetst, onbekeerde vrienden, het geluk van het leven met de Heere. Want er is ook in jullie leven vast heel veel wat moeilijk is. Dingen die zo anders gelopen zijn, dan je voorheen dacht. Dingen die je pijn en verdriet doen. Maar bij al die ellende is je grootste ellende, dat je er alleen voor staat. Is het niet een veel beter leven als je weten mag, dat je een Heere in de hemel hebt? Die alles ziet, Die alles weet, Die alles in Zijn handen heeft? Zoek Hem dan toch! Hij wil ook echt jouw Heere en Koning zijn.

Weet u wat u hoop mag geven? Deze Koning Zelf, Die in de hemel regeert. Johannes ziet Hem op Patmos rijdend op een wit paard, als overwinnende Koning. Met een kroon op Zijn hoofd en met een boog in Zijn hand. En Hij gaat uit, zo schrijft Johannes, overwinnende en opdat Hij overwon. Terwijl Hij met Zijn boog pijlen schiet, gedoopt in liefde. Woorden, gericht op mensenzielen. Pijlen, die doel treffen. Zoals de dichter van Psalm 45 zingt: Uw pijlen zijn scherp, volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden (Ps. 45:6).

Waar? Hier in de kerk. Hier en op zoveel andere plaatsen waar het Woord van de Heere klinkt. En waar de Geest van de Heere werkt. Hier bouwt de Heere in stilte Zijn koninkrijk. Door harten van vijanden in te nemen en te overweldigen door het Woord van het Evangelie. Dat Zijn vijanden dodelijk treft. Dat dode zielen tot leven wekt. Zodat we voor Hem gaan buigen. Als Christus Zijn troon bestijgt in hun hart. Lieve vrienden, buig voor Hem, aanbid Hem, kus de voeten van de Zoon des mensen.

De verhoogde Christus regeert in de hemel. Dat was ons eerste punt. En Hij zegent vandaar Zijn kerk.

Dat zien we zo meteen in ons tweede punt, maar laten we eerst zingen uit Psalm 93 vers 1 en 4:

De HEER regeert; de hoogste Majesteit. En: Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan. Psalm 93 vers 1 en 4. - - - - -

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. De zegen van Christus uit de hemel

Die twee dingen omvat. Want, zo zegt vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Antwoord: Eerstelijk (dat is het eerste) dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. En daarna (dat is het tweede) dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Dus er worden twee dingen genoemd. a. Het eerste is: Dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Dus, de verhoogde Christus in de hemel, denkt aan Zijn lidmaten, aan Zijn Kerk op aarde. Aan, zoals de Bijbel ze noemt: ‘de Zijnen’. Dat zijn niet alle mensen, dat zijn niet alle leden van de gemeente. De Zijnen, dat zijn degenen die Hij van Zijn Vader gekregen heeft. Die Hij gekocht heeft met Zijn bloed op Golgotha. En die Hij in de tijd tot geestelijk leven brengt en tot geloof in Hem.

Hij heeft ze meegenomen in Zijn dood. Hij is hun dood gestorven. Hij heeft ze meegenomen in Zijn opstanding. Hij gaf hun nieuw leven. En Hij heeft ze meegenomen in Zijn hemelvaart. Om vanuit de hemel, zegt Psalm 68, gaven uit te delen, zelfs aan ‘wederhorigen’. Dat wil zeggen: aan mensen die van zichzelf niet willen luisteren, die van zichzelf opstandig zijn. En die gaven giet hij uit, zoals Jesaja zegt, als stromen op het droge. Zoals we dat zien op de Pinksterdag. Waar mensen tijdens de preek van Petrus geprikt worden in hun hart. Overtuigd van hun zonden en verlorenheid, en gebracht worden tot kennis van de genade van Christus Jezus. En het gaat ook hun levens veranderen. Ze worden eensgezind en op God gericht.

En diezelfde Geest van Pinksteren is niet veranderd. - Hij is nog steeds Degene, Die dode harten levend maakt. Die overtuigt van zonde. Die honger en dorst geeft naar Christus en verlangen naar Hem. Die brengt tot geloof en vertrouwen in Hem. Die harten vernieuwt, waardoor mensen de zonde gaan haten. En Die brengt tot vrede, tot herstel van de band met God en tot verzekering in het hart.

- Hij is nog steeds Dezelfde, Die ook in deze laatste dagen een geestelijke opwekking kan geven in het midden van de gemeente. Door in overvloed hemelse gaven uit te gieten. Om zo onze harten te richten op Christus en op God. In plaats van op al de dingen van deze tijd, waar we nu zo druk mee zijn.

- Hij is nog steeds Dezelfde, Die ook in persoonlijke levens gaven uitgiet. Om toe te rusten tot Zijn dienst. Door ons talenten te geven, die we van onszelf niet hebben. Door onze harten brandend te maken van liefde tot God en tot verloren zielen. Door Gods kinderen te bezielen met een hemelgericht leven. Met ootmoed, met liefde, met vergevingsgezindheid, met willen buigen voor elkaar, met broederlijk vertrouwen, met onderling respect en met de ander meer achten dan onszelf.

Kinderen van God, geliefde medechristenen, onze Heere heeft zoveel! Hij is rijk in genade en barmhartigheid. Laten we toch veel bidden en uitzien naar iets van de rijkdom van deze overvloedige genade.

b. Er is nog een tweede zegen van de Heere Christus vanuit de hemel. De Catechismus zegt: dat Hij ons ook met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart. En die vijanden die zijn er: de duivel, de wereld, de zonde… Maar de gevaarlijkste vijand, waar we vaak geen erg in hebben, die zit het dichtste bij: ons eigen hart…

Vijanden, tegen wie we in eigen kracht niet kunnen vechten. Want, kinderen van God, we zijn niet sterker dan al die vijanden, we zijn niet sterker dan ons hart. Zeker, het gebed is een machtig wapen. Maar wij weten van onszelf ook niet hoe we bidden moeten. Maar gelukkig, Christus is er, met Zijn macht en bewaring in de hemel. En de Heilige Geest bewaart ons in ons hart bij het gebed.

Moeten we daaraan denkend, terugkijkend, kinderen van God, niet eerlijk zeggen: ‘Heere, als U er niet was geweest, dan was het verkeerd met me afgelopen?’ Die momenten waren er toch in ons leven, dat we onder leken te gaan? Maar toen bleek het waar te zijn, wat staat in Jesaja 43: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland (Jes. 43:2-3).

En dus mag dat ons ook troosten in ons vooruit kijken. Onze Heere in de hemel, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde, Hij zal ons bewaren. Zijn oog rust op ons. Hij leidt ons aan Zijn hand. Zijn stok en Zijn staf vertroosten ons.

Wat een gelukkig leven! Onder de macht, onder de regering en onder de zegen van deze Koning. Die ons door Israëls God gegeven is. Hoe donker ooit Gods weg mag wezen, er is geen reden tot paniek. Want Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. En dus mogen we ons – hoewel we Hem niet zien en hoewel we misschien ook de vervulling van Zijn woorden nog niet zien –, we mogen ons in Hem verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8).

Ons derde en laatste aandachtspunt:

3. Het oordeel van Christus uit de hemel

Vraag 52 zegt: Wat troost u de wederkomst Christus om te oordelen de levenden en de doden? Het antwoord zegt: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Dezelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

Bijzondere vraag, vind je niet? Wat troost u? Want, wat denk je zelf, als je denkt aan die grote dag? Waarop de Heere Jezus zal komen op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid? Omgeven door tienduizenden heilige engelen? En zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve… En zij zullen de schapen van de bokken scheiden… De graven zullen geopend worden. De doden zullen opstaan. En de wereld, en de kerk, en de gemeente hier zal verdeeld worden: schapen rechts…, bokken links… Het einde van alle dingen. Het is voorbij. En er is geen weg terug… Iedereen van ons moet verschijnen voor de rechterstoel van Christus. En zal geoordeeld worden naar dat hij of zij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Wat denk je dan, als je jezelf in gedachten voor je ziet, op die grote dag van de terugkomst van de Zoon des mensen? Denk je dan aan troost… Of huiver je dan…? Of wil er helemaal niet aan denken…?

Weet je waar dat van afhangt? Van de richting van je hart en leven… nu. En van wat je verwacht… nu. Als je hart aan de wereld en aan de dingen van nu vastzit, dan kijk je naar beneden. Dan verwacht je het van hier. Van thuis, van je gezin (als je dat mag hebben), van je familie, van je werk. Of van alles wat we hier in de kerk met elkaar doen. Waar zoveel draait om prestatie, om mooie spullen, om geld, om dingen die voorbijgaan.

Als je hart daarop gericht is, ga je schrikken van de terugkomst van de Zoon des mensen. En heel erg ook! Want dan heb je geen toekomst.

Het leven van Gods kinderen hier op aarde ziet er anders uit. En dat mag voor ons als gemeente, wel een spiegel zijn. Ik bedoel deze vraag: Wordt ons persoonlijke, wordt ons gemeenteleven nu beheerst door het mooie van deze tijd, of door – wat de Catechismus noemt – droefenis, of zelfs vervolging?

Door verdriet om jezelf, om je eigen zondige bestaan? Door verdriet om de vervlakking, om de verwereldlijking van de kerk? Waar het steeds meer draait om de dingen van deze aarde. En om wat wij doen voor God, in plaats van om Wie God wil zijn voor arme zondaars. En waar de zonden van de wereld ook steeds meer binnendringen.

Onze manier van leven en verwachten is bepalend voor hoe we uitkijken (of niet) naar de wederkomst van Christus. Natuurlijk, daarover praten, dat kunnen we allemaal. Ik ook. Maar de kernvraag is: Is Zijn terugkomst (in alle droefenis en vervolging) echt onze verwachting? Of… is dat iets voor later? Omdat het hier ook best goed en fijn is? Als je echt leeft in de verwachting van de wederkomst van Christus, dan is je hart daarop gezet. En dan hoef je ook (en dat is troostvol), dan hoef je ook niet van streek te raken bij het zien en horen van al de tekenen die wijzen op Zijn komst die aanstaande is.

Er zal meer verdriet komen. Er zal vervolging komen, smaad, laster, genegeerd worden, minachting, bedreiging en geweld. Zoals zoveel christenen in deze tijd al ondervinden. En wat doet dat met hen? En wat zal dat ook met onze kerk gaan doen? Als de kerk op de zeef komt te liggen, dan begint het kaf van het koren gescheiden te worden. Zoals de Bijbel zegt: Als de Heere Zijn dorsvloer gaat doorzuiveren. Dan zullen meer en meer mensen gaan afhaken. Omdat het hier van binnen in hun hart niet goed zat.

En dan zullen de oprecht gelovigen meer en meer in hoop en verwachting aan Christus verbonden worden, De moeite, het verdriet, de vervolging zal het goud van hun geloof beproeven. Het zal Gods kinderen zoveel oprechter, zoveel puurder, zuiverder en hartelijker maken. Losser van de dingen van deze aarde. Inniger verbonden aan Christus, in hoop en in verwachting. En in de zekere wetenschap: Hij komt. Hij komt terug!

Wie? De Catechismus zegt: Hij, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld heeft en al de vloek van mij weggenomen heeft. Met andere woorden, kinderen van God, we verwachten geen vreemde Jezus. Maar een Zaligmaker, Die we persoonlijk hebben leren kennen. Die eerder, voor mij… voor Gods gericht is geplaatst. Ik kon voor dat gericht niet bestaan, maar Hij wel. En Hij droeg de vloek, die ik verdiend had en die op mij lag, voor mij weg. Toen Hij de vervloekte dood stierf aan het kruis.

En nu: Hij is het! Hij, Die zich om mij voor Gods gericht gesteld heeft. Het zien van die Jezus zal al onze vrees laten verdwijnen. We zullen Hem zien. We zullen Hem kennen. We zullen Hem herkennen. En dat zal al onze schrik laten veranderen in blijdschap. Hij! Je hoort de blijdschap.

Hij, Die Zich tevoren voor mij voor Gods gericht gesteld heeft. Hij, Die voor mij stierf aan het kruis. Hij, onze Heere en Meester, komt. En de gedachte daaraan is voor ons hier op aarde (juist in verdriet en vervolging) tot onuitsprekelijke troost.

Want dat wat Hij voor mij deed, dat heeft mijn hart zo in liefde aan Hem verbonden. Sterker dan een gewone bruid vast zit aan haar Bruidegom, zit ons hart vast aan Hem. Door Zijn liefde waarmee Hij ons liefgehad heeft tot het einde toe. En die liefde van Hem, en de terugliefde tot Hem… Die band met Christus, of die er wel of niet is in je hart… Dat maakt of je naar die dag van Zijn terugkomst verlangt, of niet. Of je je hoofd opricht, zoals de Catechismus zegt, of niet…

Verlangend naar de dag, dat Hij komt. Tot (zegt de Catechismus), tot een Rechter uit de hemel, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. Hij zal ‘al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen.’ Zijn vijanden, dat zijn dan ook mijn vijanden. Omdat zij mijn Koning niet hebben erkend. Omdat ze Hem de eer en de heerlijkheid niet hebben willen geven. Daarom zullen zij geworpen worden in de eeuwige verdoemenis. In de poel des vuurs. Een beeld van uiterste pijniging, van wroeging, van haat en van het dragen van de toorn van de almachtige God.

Alstublieft, geliefde gemeente, duw de gedachte daaraan niet weg. Dat wordt echt uw eindbestemming als u zonder Christus leeft en sterft. Nooit zult u dan meer zeggen: ‘Ik kon er niets aan doen, de mens kan er nu eenmaal niets aan doen.’ Nee, u zult zeggen, wat ik te vaak uit de mond van stervenden gehoord heb, met hartgrondig berouw (maar te laat!): ‘Had ik maar nooit zoveel gezondigd. Had ik mijn tijd maar gebruikt. Had ik maar geluisterd naar de roepstemmen die me aanspoorden om de Heere te zoeken. Maar nu… is mijn tijd voorbij.’

Maar, zegt de Catechismus: Hij zal mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen. Je proeft de blijde troost en verwachting. Het gaat over mij. Dit is mijn persoonlijke troost, mijn persoonlijke hoop en mijn persoonlijk verlangen. Hij, Die Zich voor mij voor Gods gericht heeft geplaatst, Hij zal mij tot Zich nemen.

Samen met alle andere uitverkorenen. Het is een heel bewust gekozen woord: uitverkorenen. Mensen die God uitgekozen heeft. We zullen en kunnen niet terugdenken aan iets, wat we ooit zelf gepresteerd hebben. We zullen zingen: ‘Het was door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen. U alleen al de eer, vanwege Uw plan van de zaligheid, vanwege Uw verkiezende genade. Om de vrije gunst die eeuwig U bewoog. Om de vrije gift van Uw Eniggeliefde Zoon!’

We zullen horen uit de mond van Christus: ‘Komt, gezegenden van Mijn Vader, door de Vader aan Mij gegeven. Beërf het Koninkrijk dat voor u is weggelegd van voor de grondlegging der wereld.’

Hier op aarde hebben we gestreden tegen de zonde, tegen de wereld en tegen ons zondige hart. We hebben vaak gezucht en tranen gehuild van verdriet om onze zonden. Er waren ook tranen van heimwee, van gemis, van verlangen. Tranen van pijn om alles in deze wereld en in de kerk. We werden veracht, genegeerd, tegengewerkt, verdrukt, benauwd, gelasterd. Maar het was ons voorzegd: In de wereld zult u verdrukking hebben.

Maar dan straks… Nee, nu al! Hier! Met een opgericht hoofd verwachten we. Het beloftewoord van God maakt de zaak nu al waar, echt werkelijkheid in ons hart. Onze druk wordt verwisseld in geluk. Kinderen van God, geliefde medechristenen, laten we onze hoofden opwaarts heffen, onze verlossing is aanstaande.

En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! Kom haastelijk, Heere Jezus. En die het hoort, zegge: Kom. Komt u toch ook, mensen! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme van het water des levens om niet (Openb. 22:17).

Amen.

Slotzang Psalm 32:4,5

Gij zijt mij, HEER’, ter schuilplaats in gevaren; Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren; G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt, Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt. Mijn leer zal u, o mens, naar 't recht doen hand'len, En wijzen u den weg dien gij zult wand'len; Ik zal u trouw verzellen met mijn raad, Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te danken; Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd, Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.