PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 7: Het ware geloof (serie 2)

Zondag 7 · 10 november 2024

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 7 (serie 2)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 7 gaat over het ware, zaligmakende geloof: een lege hand en een levende band, zoals Psalm 13 laat zien. Niet alle mensen worden zalig, alleen wie door een waar geloof in Christus ingelijfd wordt en Zijn weldaden aanneemt. Dit geloof is Gods werk, geen eigen prestatie, en onderscheidt zich van historisch, tijd-, wonder- of conclusiegeloof. Het bestaat uit een stellig kennen van Gods Woord én een vast vertrouwen dat ook mij, om Christus' wil, vergeving en zaligheid geschonken is.

THEMA

Het ware, het echte geloof

KERNPUNTEN

  1. Het ware geloof is echt nodig
  2. Het ware geloof bestaat uit kennis en vertrouwen

ZONDAG 7

Vraag 20: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?
Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

Vraag 21: Wat is een waar geloof?
Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.

Vraag 22: Wat is dan een Christen nodig te geloven?
Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.

Vraag 23: Hoe luiden die Artikelen?
Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des Hemels en der aarde.En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heere; die ontvangen van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de doden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.Ik geloof in den Heiligen Geest.Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleses; en een eeuwig leven.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 7: Het ware geloof (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 7

THEMA

Het ware, het echte geloof

Geliefde gemeente, Zondag 7 gaat over het geloof. Als u nu eens gewoon simpel zou moeten zeggen, wat echt geloven is, wat zou u dan zeggen? Ik stel voor dat we gaan zeggen: Echt geloof bestaat uit twee dingen: uit een lege hand, en uit een levende band. Echt geloof bestaat uit een lege hand en uit een levende band. Laten we vanuit dat perspectief samen eerst even gaan kijken naar de psalm die we samen gelezen hebben, Psalm 13.

Psalm 13 is een psalm vol geloof. Ik lees vers 1, 2 en 3: Een psalm van David, voor de opperzangmeester. Hoelang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? Hoelang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Hoelang zal ik raadslagen voornemen (plannen maken) in mijn ziel, droefenis (hebben) in mijn hart bij dag? Hoelang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? Dat klinkt als: Ik ben moe, ik kan niet verder. Maar, je hoort daarbij nog iets. Je zou er zo overheen lezen. In vers 2: Hoe lang, HEERE! Dat klinkt als: Ik ken U. U bent toch de betrouwbare God? Maar…, waarom zie ik U niet?

Ik zei, Psalm 13 is een psalm vol geloof. Zeker, het geloof kan moe zijn. Maar het geloof kan de Heere niet loslaten. Het roept naar de hemel: ‘Heere!’ Want er is midden in alle verdriet en nood, er is midden in alle gemis, van die lege hand, een band met de Heere, de betrouwbare God. En dus klinkt biddend de zucht naar de hemel: ‘HEERE, helpt U mij toch!’

Kijk maar naar vers 4: Aanschouw, verhoor mij, HEERE mijn God. U bent mijn God. Voelt u die band met de Heere in de hemel? Hoewel alles zo moeilijk en donker is. HEERE, mijn God, verlicht mijn ogen (dat wil zeggen: geef me toch nieuwe moed en kracht), opdat ik in de dood niet ontslape. De Heere lijkt er niet te zijn. Maar, ‘Heere, ik hoop op U!’ De Heere verbergt Zijn gezicht. Maar: ‘Heere, zie mij toch, verhoor mij toch, mijn Heere en mijn God!’

Vers 5: Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

Roepend naar de hemel. Pleitend op de eer van Gods Naam. Wat gaat U toch doen met de eer van Uw grote Naam, Heere, als ik zal omkomen?

Vers 6: Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid. Ik vertrouw op Uw trouw. U bent de trouwe God van het eenzijdige verbond, van het eenzijdige genadeverbond. U bent het, Die mij opzocht. Die mij vond, mij levend maakte en aannam als Uw kind. U was het, Die mij maakte van een kind des toorns, tot een kind van ontferming en genade. En sindsdien word ik achtervolgd door Uw liefde en trouw, door Uw goedertierenheid. Vastgehouden door de levende band, die U in mijn leven hebt gelegd. Over hoogten en door diepten. Door lijden en vreugde. Al de dagen van mijn leven. Zoals we zongen uit Psalm 23: Het goede en de weldadigheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven (Ps. 23:6).

En dus, zegt vers 6: Mijn hart zal zich verheugen in Uw heil. In Uw redding en zaligheid. Ik zal niet ondergaan, ik zal niet omkomen. Omdat U Uw lieve Zoon straks wel onder zal laten gaan. Dat is Uw heil, dat is Uw redding en zaligheid. En dus, vers 6: Zal (ik) de HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

Een psalm vol geloof, zei ik. Want, wat zie je? Wat hoor je? Een dichter, die midden in duisternis en verlating zegt: ‘Ik ken U, HEERE, Verbondsgod, mijn God. En ik vertrouw op U.’ Kijk maar naar vers 6: Ik vertrouw op Uw goedertierenheid. Op Uw liefde en trouw. Met andere woorden: U hebt een levende band gelegd tussen mij en U.

Ik kan het zelf niet. Ik kom er zelf niet uit. Zelf oplossen, dat kan ik niet. Heere, ik heb lege handen. Ik heb niets. Maar U hebt alles. En dus: Doet U alles maar. Ik geef me over aan wat U doet en aan wat U gaat doen.

Dus, wat zie en hoor je in Psalm 13? Een lege hand, die roept: ‘Help mij, HEERE!’ Maar die roep, dat is geen helpgeroep in het oneindige, gericht op niemand. Het is een roep gericht op God. Op God, Die ik ken. Met Wie ik een levende band heb.

Geloven, dat is de combinatie van die twee dingen. Van een levende band en een lege hand. En die lege hand grijpt als het ware de Heere vast aan Zijn eigen woorden. In vertrouwen op Hem, Die ik ken. Want ik weet hoe Hij is: vol van goedertierenheid, liefde en trouw. Geloven, dat is een lege hand en een levende band.

We gaan dat zien in Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus. Laten we samen de vragen en antwoorden 20, 21, 22 en 23 gaan lezen.

Vraag 20. Worden dan alle mensen weer door Christus zalig, zoals zij door Adam zijn verdoemd geworden? Antwoord. Neen zij, maar alleen degenen, die Hem (de Heere Jezus) door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen. Met andere woorden: dat geloof is echt nodig.

Vraag 21. Wat is een waar (een echt) geloof? Antwoord. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waar(achtig) houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil. Met andere woorden: dat geloof bestaat uit kennen en vertrouwen.

En dan komen de vragen en antwoorden 22 en 23, die meer een inleiding zijn op de volgende Zondagen. Ik laat die voor nu rusten. De inhoud ervan komt terug in de volgende Zondagen van de Catechismus.

Vraag 22. Wat is dan een Christen nodig om te geloven? Antwoord. Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt, wat ons de (12) Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.

Vraag 23. Hoe luiden die Artikelen? En dan volgen de Twaalf Artikelen, die ons zojuist zijn voorgelezen.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: Het ware, het echte geloof

Er zijn twee aandachtspunten. Dat ware geloof, dat is als eerste echt nodig. En als tweede bestaat het uit kennis en vertrouwen. Dus: Het ware, het echte geloof. 1. Het is echt nodig 2. Het bestaat uit kennis en vertrouwen

Als eerste dus:

1. Het ware geloof is echt nodig

Vraag 20 vraagt: Worden dan alle mensen weer door Christus zalig, zoals zij door Adam zijn verdoemd geworden? Kwamen alle mensen die door de woestijn op weg waren naar Kanaän aan, in het beloofde land? Nee, want de meesten (zegt Paulus in 1 Korinthe 10) geloofden niet. Zij hadden niet het echte, het ware geloof.

En zo is het ook nu. De meeste mensen geloven niet. Zij verwerpen Christus. Zij hebben de duisternis liever dan het licht. En dat komt, vanwege al die ellende waar het in de vorige Zondagen over ging. We willen niet aanvaarden dat we onbekwaam zijn tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. We willen niet accepteren wat de Dordtse Leerregels zeggen in hoofdstuk III/IV, artikel 3: Wij willen en kunnen tot God niet wederkeren, noch onze verdorven natuur verbeteren, noch onszelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes. We willen niet zalig gemaakt worden door een Ander. We willen het zelf doen.

Er is een wonder nodig. Het wonder van de wedergeboorte. Waarmee God de Heilige Geest je dode en onwillige hart levend maakt. En je geloof geeft. Echt geloof. Dat kan je zelf niet maken. Maar de Heere wil het uit genade wel aan je geven. Door je (zegt antwoord 20): in te lijven in Hem. Antwoord 20 zegt het zo, even vrij geformuleerd: Alleen diegenen worden zalig, die Hem, de Heere Jezus, door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

Inlijven, ingelijfd worden. Dat is een beetje een moeilijke uitdrukking. Daarbij moet je denken aan een wijnstok, waaraan druiven groeien. Als je een klein sneetje maakt in die wijnstok, in de stam ervan, en als je daar een klein nieuw stekje, een klein takje in doet, dan gaat dat stekje uiteindelijk vast groeien in die stam. Dat noem je: inenten, inlijven. Dat stekje wordt ingeënt in, dat wordt één met, dat wordt opgenomen in die wijnstok. En dat gaat leven van de wortel van die wijnstok. Er komt met andere woorden gezegd: een levende band.

En nu zegt de Catechismus: Wij hebben nodig, dat ons takje afgesneden wordt van de oude, dode plant, namelijk Adam. En dat we ingelijfd, ingeënt worden in, dat we één worden met de nieuwe stam, namelijk de Heere Jezus Christus. En, wie doet dat? Doet dat stekje dat zelf? Nee, dat doet de man die voor de wijnstok zorgt. Dat doet de Heere Zelf. Dat doet God de Heilige Geest.

Dus echt geloven is niet iets wat je zélf kan gaan doen. Je kan niet jezelf als takje inenten in de wijnstok. Je kan niet jezelf vastknopen aan de Heere Jezus. Je kan niet jezelf één laten worden met Hem. Dat kan de Heere alléén doen. Dat is het werk van God de Heilige Geest.

Echt geloven is het werk van de Heere, en van Hem alleen. Het geloof, zegt Paulus, is een gave, een gift van God. Niet geloven, ongeloof, dat is van ons. Dat is onze schuld. Maar geloven, echt geloven, dat is van de Heere. En, de Heere wil dat uit genade ook aan ons geven.

Maar, als dat stekje eenmaal vastgegroeid is in de wijnstok, dan is dat wel een levend takje geworden. Wat groeit, wat verder groeit. Met andere woorden, dat geloof, dat de Heere geeft, is een levend geloof. Dat leeft door de verbinding met de levende Wijnstok Christus. Er is een levende en levengevende band gekomen.

En, zegt de Catechismus, door die levende band, door dat echte, ware geloof: gaat de gelovige al de weldaden van de Heere aannemen. Al de weldaden van de Heere. Dat is: alles wat Hij verdiend heeft en uit genade geven wil. Het echte geloof gaat die weldaden aannemen met...? Een lege hand.

Van jezelf heb je niets. Maar je krijgt alles van Hem. Al die weldaden die eerder genoemd zijn in Zondag 6: Wijsheid in plaats van onze dwaasheid. Rechtvaardigheid in plaats van onze hemelhoge schuld. En heiligmaking in plaats van onze onheiligheid. En straks een volkomen verlossing. Kortom: alles!

Het echte geloof gaat stap voor stap alles wat de Heere uit genade wil geven en leren: aannemen. Zoals je iets aanpakt, wat je van iemand krijgt. Het was niet van jezelf, maar je krijgt het. Dus, het echte geloof is: Eén worden met, ingeënt, ingelijfd worden in Christus. Een levende band. En aannemen wat de Heere geeft. Met een lege hand.

Het begint bij God. Hij bindt vast aan de wijnstok. Hij maakt één met Christus. Dat doet de Heere. Dat komt uit Hem. Maar het geloof zelf (dat de Heere gegeven heeft) doet ook iets: aannemen. Met een lege hand, als bewijs van de totale armoede aan mijn kant. En daardoor is er dus nooit iets om trots op te worden. Want alles is uit genade gekregen. Dat geloof, die band met de Heere, die kreeg je, die legde de Heere in je hart. En ja, die lege hand, die is alleen maar het bewijs van je eigen niets.

Het geloof is een levende band met…? Met Christus. En het geloof is een lege hand die uitgestoken wordt naar…? Naar Christus. Dus waar gaat het eigenlijk om bij het geloof? Om het geloof zelf? Nee, het gaat erom dat het geloof zich richt op Christus en op God. Zoals de dichter zegt in Psalm 13 vers 6: Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid. En zoals de Catechismus hier zegt: het geloof verbindt aan Hem. En door het geloof krijgen we al Zijn weldaden. Het gaat dus om waar dat geloof zich op richt. Op God. Op Christus. En op het werk van de Heilige Geest.

Daaraan denkend gaan we nu eerst samen zingen uit Psalm 31, het 17e vers. Geloofd zij God, Die Zijn genade aan mij heeft groot gemaakt; Die voor mijn welstand waakt. Zijn oog slaat mij in liefde gade; Hij wil mij heil bereiden. Mij in een vesting leiden.

Gemeente, het gaat vanmiddag bij de bespreking van Zondag 7 van de Catechismus over het echte, het ware geloof. Met dat zo te zeggen, suggereer ik, dat er ook een ander soort geloof is. Het is net als met heel bijzondere, kostbare dingen. Er zijn altijd mensen die zulke dingen na willen maken: dure sportschoenen, Gucci tassen, Rolex horloges. Ze worden allemaal nagemaakt. En niet zomaar een beetje, maar echt heel goed. Bijna niet van echt te onderscheiden.

En zo is het ook met het echte, met het ware geloof. Er is namelijk ook geloof, dat níet echt is, dat niet zalig maakt. Het is anders. Het is niet waardeloos, maar het is ook niet genoeg om getroost te kunnen leven en zalig te kunnen sterven. Uit de Bijbel kennen we een paar soorten van dat niet-echte geloof.

a. Het eerste heet het historische geloof. Dat wil zeggen: je gelooft dat, dat wat in de Bijbel staat, waar is. Dat historische geloof is niet waardeloos. Want het is heel bijzonder dat je de Bijbel hebt. Want daarin kun je lezen, hoe je zalig moet worden. Maar als je daar verder niet naar luistert, maar gewoon doorgaat met je eigen leven zonder de Heere, dan is dat niet genoeg om getroost te kunnen leven en zalig te kunnen sterven.

b. Een ander geloof is het tijdgeloof. Je kan diep geraakt worden door de preek. Het kan je gevoel heel erg raken. Als je voor ogen geschilderd wordt de goede dienst van de Heere, de vreugde van de hemel of de verschrikking van de hel. Of als je denkt aan eerdere ontmoetingen met kinderen van God. Het kan zijn, dat je wakker geschud bent uit je dodelijke rust. Dat je onrustig, dat je zoekend gemaakt bent. Maar dat na verloop van tijd, dat allemaal toch weer wegzakt. Er is wel iets veranderd. Maar verder slaap je ondertussen dieper, dan ooit tevoren.

Lieve mensen, rust niet op dat gevoel. Rust niet op zulke emoties. Rust niet op wat je ooit diep geraakt heeft. Je moet met God verzoend worden. Je hemelhoge schuld moet vergeven worden. Zo kan je niet getroost leven, laat staan straks zalig sterven.

c. Een ander geloof is het wondergeloof. Er zijn gewoon heel bijzondere dingen gebeurd: thuis, op je werk of waar dan ook. Bijzondere verhoringen van je gebeden. Een bijzondere genezing van een ernstige ziekte, die je dicht bij de dood bracht. Het is niet waardeloos, maar het is Jezus niet. En dus, rust er niet op. Want je kan er niet getroost mee leven, laat staan dat je er straks zalig mee zou kunnen sterven.

d. En dan is er ook nog, wat ik maar noem: het conclusiegeloof. Iemand zegt: Jezus is gestorven voor de zonde. Ik ben zo'n zondaar. En dus (1+1=2), dus geloof ik dat Hij ook voor mij gestorven is.

Maar, mensen, dat is alleen maar een conclusie. Zonder leven, zonder liefde. Zonder gebogen wil en gebroken hart. En zonder ingrijpen van God in je leven. We moeten door Gods werk in ons hart, de Heere Jezus echt leren kennen als onze persoonlijke Middelaar en Zaligmaker, ons door God geschonken. Er moet door God een levende verbinding met Hem komen. Want Hij is de enige Weg waardoor God de eer krijgt in ons leven, en waardoor wij zalig kunnen worden.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt.

2. Het ware geloof bestaat uit kennis en vertrouwen

Het echte geloof bestaat uit kennis en vertrouwen. Vraag 21 vraagt: Wat is een waar, wat is een echt geloof? Het antwoord zegt: Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waar(achtig) houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Dus, zegt de Catechismus: Echt geloven, wat houdt dat in? Twee dingen. a. Dat is als eerste een stellig, een zeker weten of kennen. Waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft.

Alles dus, wat de Heere in de Bijbel zegt. Ook over mijzelf. Dat ik goed geschapen ben. Dat de Heere de schuld niet is van mijn ellende. Maar dat ik expres tegen Hem ben opgestaan. Dat ik gezondigd heb. En dat er van mij uit geen weg terug is. Ik ga, als de Heere in mijn leven komt, het allemaal weten en kennen. Ik ga het allemaal geloven door het ontdekkende werk van de Heilige Geest.

De waarheid van de Bijbel (die ik kende van huis uit, van de catechisatie, van school) grijpt me vast. Ik zie het. Het wordt werkelijkheid. Dat ik met God gebroken heb. Dat ik een verloren mens ben. Ik leer het echt kennen, met heel mijn hart. Omdat de Heere het mij laat zien.

Vroeger las ik wel in mijn Bijbel. Maar ik las er altijd overheen. Maar nu worden het levende woorden. Waarin ik God tegenkom. Hij laat het me zíen. Daardoor ga ik mezelf kennen. En daardoor ga ik ook de Heere kennen, voor Hem vrezen en voor Hem buigen. Ik ga ‘Amen’ zeggen op wat de Heere zegt.

Dat kennen is echt alles geloven wat God in Zijn Woord tot mij zegt. Scherpe, veroordelende woorden. Ik zeg: ‘Ja, Heere, U hebt gelijk.’

Maar ook vertroostende woorden. Zoals deze: dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken (1 Tim. 1:15).

En dat alles geeft in mijn hart (wonderlijk werk van de Heilige Geest!) een levende band met God. Met God, Die mij terecht veroordeelt, maar ik kan Hem niet meer missen. Met God, Die mij vertelt over de weg om met Hem verzoend te worden, waardoor ik meer dan ooit naar Hem ga verlangen. Zoals de dichter zingt in Psalm 63: O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Ps. 63:2).

b. En, dat is het tweede, wat de Heilige Geest leert in harten waarin Hij werkt. Hij leert stap voor stap ook: vertrouwen. De Catechismus zegt: Het ware geloof is niet alleen een stellig weten of kennen, maar ook (en dan komt het): een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Ik blijf niet rondmalen in mezelf. Maar ik ga roepen. Zoals David roept in Psalm 13: ‘Verhoor mij, HEERE, mijn God!’ Ik ga vluchten, zoals de Kananese vrouw. Ze riep, ze kwam en aanbad Hem.

Het geloof vertrouwt de Heere. De gelovige kan vol wantrouwen zijn. Maar het geloof, door de Heilige Geest geplant, vertrouwt op God. Het geloof zegt: ‘Ga maar. Je durft niet? Zeg dan maar met Esther: Wanneer ik omkom, zo kom ik om. Want God is betrouwbaar. De Heere zal je niet afwijzen. Wat Hij zegt, is waar.’

Nee, dat zit van onszelf niet in ons hart. Ons hart denkt meestal: ‘Zal het wel waar zijn?’ Ook als kinderen van God kunnen en durven we zo vaak niet te geloven. Als we naar onszelf kijken, dan denken we: ‘Zou God me wel genadig willen zijn? Zou Hij mij wel willen vergeven? Ja, dat zal wel waar zijn voor anderen, maar zou het ook voor mij gelden?’

Wat kunnen Gods kinderen, die het echte geloof gekregen hebben, daar veel mee tobben. ‘Klopt het wel in mijn leven? Is het wel echt bij mij? Want ik zie zoveel tekort in mijn leven. Ik zie zoveel zonde in mijn hart.’ Want? Hoe komt dat? Dat komt omdat er een levende band van liefde is. Waardoor je hart zonder de Heere niet verder kan. Maar waardoor je óók voelt: het moet wel opgelost worden. Het moet wel goed zitten tussen de Heere en je hart. Maar je hart, je hand is leeg. Je kan van jezelf niet geloven. Van jezelf mis je alles. Zoals de dichter van Psalm 119 zegt: Ik mis van mezelf alles, maar toch (en juist daarom) kan ik niet zonder de Heere leven.

En wat doet dat echte geloof dan? Door het verborgen werk van de Heilige Geest in mijn hart? Dat geloof verbindt me in al mijn armoede aan Christus. Dat maakt me niet rijk, maar dat knoopt me als een arme zondaar aan Hem vast. Dat maakt me, dat houdt me afhankelijk van Gods genade. En van het onderwijs van de Heere door Zijn Woord, door de prediking, en door de sacramenten. Want daardoor, door die middelen, wil de Heere Zijn kinderen meer kennis, vertrouwen en zekerheid geven.

Door? Door de beloften van het Evangelie. Me innerlijk overtuigend (zegt de Catechismus): dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Wat een bijzondere lessen op de leerschool van de Heilige Geest: vergeving van zonden, vrede met God, uit genade gegeven, alleen om de verdienste van Christus. Ook aan mij…

We kunnen en durven dat vaak niet te geloven. Met ons eigen verstand kunnen we het niet geloven. Want dat is verduisterd. En met onze eigen ogen kunnen we het niet zien. Want we zijn blind van ‘s hemels wegen. Maar de Heere opent de Schriften, Hij opent onze ogen, Hij opent ons hart. En Hij drukt Zijn woorden zó op ons hart, dat we ze toch gaan geloven. Omdat Hij het zegt.

En zo geeft Hij onze (van onszelf twijfelende en moedeloze) harten houvast. Buiten ons. Aan Hem en aan Zijn Woord. Door dit sprekende Woord, toegepast in het hart door de Heilige Geest.

Als de Heere Zelf ons, in al onze twijfel en vrees, vriendelijk influistert door Zijn Woord en Geest: Luister, mijn tobbende kind. Je durft het niet te geloven, maar…: Ik heb al uw zonden achter Mijn rug geworpen (Jes. 38:17). Ik zal nooit meer op u toornen of op u schelden (Jes. 54:9). Dan kán je het niet nalaten, toch? Ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord; 'k Vertrouw (ik vertrouw!) op God, door gene vrees gestoord; Wat sterv'ling zou mij schenden? (Ps. 56:5, ber.)

Kent u, geliefde gemeente, iets van dit ware geloof? Kent u iets van het begin van Gods werk in uw leven? Hij greep in! Kent u iets van hartelijke droefheid naar God, omdat u tegen Hem gezondigd hebt? Kent u iets van met berouw komen aan Zijn voeten?

Waar je met verwondering ervaren mocht en mag, dat er bij de Heere plaats is voor zo’n zondaar. Waar je bidden mocht en mag: ‘Heere, wees mij, zondaar, genadig. Ik heb tegen U zwaar en menigmaal misdreven. Maar zie op mij in gunst van boven.’ Waar de Heere je er iets van liet zien: Alles wat u ontbreekt, wil Ik niet alleen aan anderen geven, maar ook aan u. Hem wil Ik aan u geven: de enige Middelaar, Christus Jezus, de Zaligmaker van verloren zondaars.

Kent u, geliefde gemeente, iets van dit ware geloof? Van het aannemen van dat, wat de Heere Zelf aan u gaf? Daarvoor moet je eerst alles van jezelf kwijt. Want om iets aan te nemen, heb je lege handen nodig.

Als u iets van dat levende geloof in uw leven herkent… Van geestelijke armoede, van een lege hand naar Hem uitgestrekt… Van uitzien en verlangen naar Hem… Van vertrouwen op Hem, omdat er in uw hart een levende band gelegd is met Hem… Zeg dan niet bij uzelf (als u uzelf vergelijkt met het ‘grote’): ‘Dat van mij, dat is niets.’ Nee, veracht de dag van de kleine dingen niet (Zach. 4:10). Maar sta biddend naar opwas in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus. Biddend: Heere, vermeerder mij het geloof (Luk. 17:5).

Amen.

Slotzang Psalm 13:1,3,5

Hoe lang, o HEER’, mijn toeverlaat, Vergeet Gij mijnen jammer-staat?

Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER’; Ai, zie op al mijn lijden neer.

Maar, in dit smartelijk verdriet, Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet.