PREEK · KERKELIJK JAAR

Wie zal ons het goede doen zien? - Psalm 4

Nieuwjaar - 1 januari 2017

Psalm 4:7: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE.

INLEIDING

Op Nieuwjaarsdag stelt Psalm 4 de vraag naar vooruitkijken: naar beneden of naar boven. Velen zoeken hun goed in aardse voorspoed, koren en most, maar vinden daarin geen blijvende garantie of rust. Wie echter in het donker van eigen zonde en gemis leert bidden om het licht van Gods aangezicht, verlangt naar verzoening, naar de nabijheid van Christus en naar Gods gunst. Dat licht kwam in Christus Zelf in onze duisternis. Zo mag Gods kind, ondanks aanhoudend donker hier, met vaste hoop en rust het nieuwe jaar ingaan.

THEMA

Vooruitkijken

KERNPUNTEN

  1. Naar beneden kijken
  2. Naar boven kijken

PSALM 4:4-9

4 Weet toch dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen als ik tot Hem roep.
5 Zijt beroerd en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
6 Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE.
8 Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
9 Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE, alleen zult mij doen zeker wonen.

VOLLEDIGE TEKST

Wie zal ons het goede doen zien? - Psalm 4

ds. J. IJsselstein - Psalm 4:7

THEMA

Vooruitkijken

Gemeente, dit is een dag om vragen te stellen. Hardop, of in je hart. Zo zijn wij, mensen. Mensen op zoek naar houvast, en dus op zoek naar antwoorden. Hoe zal het dit jaar gaan? Thuis, met mijn man, met mijn vrouw, met mijn kinderen? Met mijn gezondheid, met mijn ziekte? Met m’n schoolwerk, met m’n studie? Met m’n werk, met m’n inkomen? Met de donkerheid van mijn hart? Met de vervulling van Gods belofte? Met de weg die Hij mij gewezen heeft, maar die tot nu toe gesloten lijkt? Allemaal vragen, die in ons hart kunnen zijn. En die je ook op een dag als vandaag tegen elkaar kunt uitspreken: ‘Hoe zal het dit jaar toch gaan?’

Toch is er verschil in de manier van denken aan, in de manier van vragen voor de toekomst. De één kijkt met al die vragen naar beneden en opzij… De ander kijkt met al die vragen omhoog… Kijkt u maar in de tekst voor de preek, die u vinden kunt in Psalm 4, daarvan het zevende vers. We lezen samen het Woord van God in Psalm 4 vers 7: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

Het thema voor de preek is: Vooruitkijken. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Naar beneden kijken 2. Naar boven kijken

Dus: vooruitkijken kan op twee manieren: naar beneden kijkend of naar boven kijkend. Gemeente, Psalm 3 en Psalm 4 lijken bij elkaar te horen. Psalm 3 is een lied voor de morgen, Psalm 4 is een lied voor de avond. De toon van Psalm 3 is wat somberder, wat lager dan de toon van Psalm 4. Het avondlied van Psalm 4 is wat rustiger gestemd, wat vaster van hoop op en vertrouwen in Gods goedheid en gunst.

David heeft deze psalmen gedicht, om te zingen bij snarenspel, op de Neginoth, waarschijnlijk in de tijd dat hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom (Psalm 3:1).

Psalm 4 begint in vers 2 met een uitroep van drang, van urgentie en van vertrouwen. Leest u maar mee in vers 2: Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. U, o Heere, hebt me door Uw genade gebracht op het spoor van Uw gerechtigheid. Met andere woorden: ik ben recht, ik ben oprecht voor U, ik wandel in het spoor van Uw geboden. Vroeger hebt U mij in benauwdheid ruimte gemaakt. Toen hebt U mij ook in tijden van angst en zorg geholpen en gered. Wie zo terug mag kijken naar zijn of haar leven, die mag hoop hebben, immers de Heere verandert niet. Maar die mag ook pleiten, juist op die eerdere hulp: U hebt me voorheen gered, zult U met dan niet opnieuw redden?

Ik roep. Hoor mij, verhoor mij, o God. Wees mij genadig. Wat een geweldig begin, jongelui, van een nieuwe jaar! Je kan denken en je kan zeggen: ‘Ik ga ervoor, ik zal ervoor knokken, ik ga mijn stinkende best doen!’ Dat is mooi, succes ermee. Maar dit is beter, dit is het allerbeste, dit geeft de meeste garantie: Ik roep. Hoor mij, verhoor mij, o God. Wees mij genadig. Zo alleen komt het echt goed.

En dan, na die dringende roep in het begin van dit avondlied, dan richt David zich tot drie groepen mensen. 1. Er zijn in de eerste plaats (in vers 3 en 4) tegenstanders, wellicht aanhangers van Absalom of Saul: Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep. Weet dat de Heere mij tot koning heeft gezalfd. Houd op met ijdel spreken, met lasteren. Dit is dus een oproep tot bekering!

2. Er zijn in de tweede plaats in vers 5 en 6 heethoofden, geen tegenstanders maar juist voorstanders van David, die uiting graag willen geven aan hun woede en frustratie. Zijt beroerd (trillend van boosheid), maar zondigt niet; spreekt in uw hart (niet met uw mond) op uw leger (als u in bed ligt, als niemand het hoort), en wees stil (houdt die woede voor uzelf, spreek die niet uit). Sela. Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op de HEERE. Offert de goede offers, en zoek verzoening voor uzelf bij God. Ga in het spoor van Gods gerechtigheid, ver weg blijvend van zonde, en geef uw zaak over aan de Heere.

3. En dan spreekt David een derde groep mensen aan. En daar gaat het vanmiddag vooral over. Het zijn Davids vertrouwelingen, het zijn zijn vrienden. Niet zijn vijanden, ook niet die heethoofden, het is eerder een groep van moedeloze mensen. Luister maar naar vers 7: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! Dat brengt ons bij onze eerste gedachte:

1. Naar beneden kijken.

Vooruit- en naar beneden kijken. Want, zo staat er: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? ‘We hopen er maar het beste van. We zullen wel zien wat het wordt. Laten we er maar niet al teveel over in zitten’. Want: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’ Veel mensen zeggen dat. Er staat: velen zeggen.

Wie zal ons het goede doen zien? Wat is dat goede? Dat staat in vers 8: koren en most, dat zal hun hart verblijden. Dus, wat verwachten veel mensen, terwijl ze naar beneden en vooruitkijken? Ze verwachten de dingen van nu, de dingen van hier, de dingen van de aarde. Vult u het zelf maar in: plezier op school, leuke vrienden, een goede baan, een goed salaris, een mooie auto, nieuwe meubels, mooie kleren, lekker eten en drinken. Het (vers 8) vermenigvuldigen van koren en most, dat maakt hen blij!

Bent u ook zo iemand? Verwacht u voor het komende jaar dit soort van dingen? Veel mensen wel! Hoort u daar ook bij? Ze kijken, als het gaat om wat ze verwachten naar nu, naar beneden. En ze kijken ook naar beneden als het gaat om van wie ze dat alles verwachten. Want ze zeggen, kijkend om zich heen: Wie zal ons het goede doen zien?

U proeft daarin, nog meer(!), dat die mensen alleen maar gericht zijn naar beneden en opzij. Wie (zo zeggen ze, om zich heen kijkend), wie… zal er in de toekomst toch zorgen voor onze rijkdom en overvloed? En u proeft er met mij ook wat onzekerheid in. Wie…? Wie eigenlijk kan ons blijvend echt laten genieten? Is er wel iemand die ons wat dat betreft garantie kan geven? Kan je docent je garanderen dat je je examen haalt? Kan je baas je garanderen dat je je baan houdt? Kan de dokter je garanderen dat je beter wordt? Wie!? Wie zal ons het goede doen zien? Je kijkt, zoekend om je heen, maar: is er wel iemand die je echt garantie geven kan?

Je proeft de onzekerheid in die vraag. En je proeft ook dat het een vraag is, die eigenlijk nooit echt opgelost wordt. Want als de ene vraag is opgelost, dan komt er weer een andere vraag: heb je je examen gehaald? Dat is mooi. Maar heb je dan wel een baan? En als je die baan hebt, dan komt de volgende vraag: houd je die baan wel? En zo gaat het maar door.

Wie zal ons het goede doen zien? Omlaag gericht, naar de overvloed van de dingen van deze tijd, om ons heen kijkend naar wie garantie geven kan, maar uiteindelijk blijft alles onzeker en rusteloos, en worden we nooit echt verzadigd.

Velen stellen deze vraag. U ook? Wie zal ons het goede doen zien? Om u heen kijkend… Zoekend, eindeloos, jaar in, jaar uit, naar voorspoed? Naar voorbijgaande rijkdom? Onrustig en de rusteloos, totdat…? Totdat u uiteindelijk moet zeggen: ‘Het was mooi, ik

was een tijdje blij met koren en most, maar nu is het voorbij.’ Want het is ons mensen gezet om eenmaal te moeten sterven. Alles wat uit stof is neemt een einde. Hoeveel u ook hebt en wie u al dat goede ook heeft laten zien, het allerbeste wat u uiteindelijk kan overkomen, is de troosteloze troost die de rijke man kreeg, toen hij de arme Lazarus zag in de hemelse heerlijkheid: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven (Lukas 16:25). U hebt uw beste deel inmiddels gehad.

Is er geen reden, lieve mensen, om anders te gaan kijken wat betreft de dingen die u zoekt? Alles wat u ziet, als u naar beneden en opzij kijkt, dat gaat allemaal voorbij. Dat geldt niet alleen de onbekeerden mensen, dat geldt ons allemaal. Wat we ook hebben, aan vrienden, geld, bezittingen, huizen, diploma’s, of wat dan ook, het gaat allemaal voorbij. Bedenk, gemeente, wat echt tot uw vrede dient. (Uw) binnenste gedachte is, dat (uw) huizen zullen zijn in eeuwigheid, (uw) woningen van geslacht tot geslacht; (u noemt) de landen naar (uw) namen. De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan (Psalm 49:12-13). We gaan die waarschuwende woorden nu eerst samen zingen uit Psalm 49, daarvan het vierde vers.

Al zegt zijn hart: "Mijn huis zal eeuwig staan, Van kind tot kind gedurig overgaan"; Al heeft hij 't land, waarop zijn trotsheid roemt, Zijn grootsheid bouwt, naar zijnen naam genoemd; 't Is alles wind, waar zich zijn hart mee streelt; De mens, hoe mild door 't aards geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven, Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.

Het gaat in de dienst van vanmorgen over vooruitkijken. We hebben gelet op naar beneden kijken: Velen zeggen, die zal ons het goede doen zien? We gaan nu verder met onze tweede gedachte:

2. Naar boven kijken

Vooruit- en omhoogkijken: Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! Dit is een ander gebed. Ik zeg niet dat Gods kinderen niet bidden of mogen bidden om de dingen voor deze tijd. We zijn en blijven mensen, die mogen bidden om ons dagelijks brood. En dus mogen we ook bidden om werk, om inkomen, om kleding, om een dak boven ons hoofd, om rust en vrede in onze gezinnen. Maar toch, als het goed is, is ons gebed anders. Soms misschien wel deels met dezelfde woorden. Maar met een ander hart. Met een hart dat een ander verlangen gekregen heeft. Een verlangen dat geboren is in gemis. In een ander gemis, dan het gemis dat de mensen hebben die naar beneden kijken.

Hun gebed vertolkt hun gemis: Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! Ze vragen om licht. Ze zeggen in alle omstandigheden en bij alle vragen van het leven: ‘Heere, één ding, geef ons toch licht!’

Jongens en meisjes, wanneer vraag je om licht? Wanneer zeg je: ‘Mam, mag het licht aan?’ Als het donker is. Want het donker maakt je bang. Dit soort van bidders zijn bang voor het donker, voor geestelijke donkerheid en duisternis. Zij zien het donker. Anderen niet. Zij weten het verschil tussen licht en donker. Anderen niet. En zij zijn er diep van overtuigd, dat ze zelf het licht hebben uitgedaan. Dus zijn ze zelf de schuld van hun eigen duisternis, en dat weten ze. Want zijzelf hebben (net als iedereen) God, de enige Bron van licht verlaten.

Wat kan je, als de Heere je de ogen opendoet, zuchten onder het donker: ‘Heere, wordt het ooit nog licht?’ Hé, hoor je, dit gebed is anders gericht. Het gaat omhoog: ‘Heere!’ Zo iemand zegt niet: ‘Wie doet het licht even voor me aan?’ Maar zo iemand zegt: ‘Heere, zend U toch Uw licht? Ik heb Uw gunst en genade verzondigd, maar Heere, zo kan ik niet verder. De hemel lijkt wel gesloten. Maar dat is mijn eigen schuld. Daarom durf ik ook zelfs, net als de tollenaar, mijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Maar mijn roep gaat wel omhoog: O, God, wees mij zondaar genadig. Mijn geroep uit angst en vrees, klimt tot God, de Allerhoogste.’

Trouwens, ook na ontvangen genade, na aanvankelijk licht, kan het weer zo donker worden in het leven van Gods kinderen. Denkt u maar aan Psalm 30, waar de dichter zegt: Ik zeide wel in mijn voorspoed (toen het zo licht was): Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, HEERE! U hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw aangezicht verborg (toen het donker werd), werd ik verschrikt (vers 7-8). Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van de HEERE (Klaagliederen 3:18). We kunnen wegzakken in een put van geestelijke donkerheid en moedeloosheid, waarin we biddend zuchten: Zou God Zijn genade vergeten, nooit meer van ontferming weten?

Waar ik vroeger licht vond, daar vind ik het niet meer. Want het Woord is zo gesloten. Denk maar aan de dichter van psalm 77. Hij zegt: Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar (Psalm 77:4). Als ik vroeger aan U dacht, dan brandde mijn hart van vreugde en blijdschap, maar nu moet ik klagen, als ik aan U denk... De Heere uit het oog verloren. Ik zeg: de Heere heeft mij vergeten (Jesaja 49:14). De Heere uit het oog verloren en de weg kwijt. En ondertussen vergeten, wat de Heere gezegd heeft: Hoe donker ooit Gods weg mogen wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen (Psalm 73:1, ber.). En dan, want rusten kan ik niet, dan klimt mijn stem uit de diepten, kijkend naar omhoog: Verhef U over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

Dit gebed veronderstelt dat het donker kan zijn in het leven van Gods kinderen. En dat donker, die duisternis doet ons juist verlangen naar licht. En dat hoort u in dit gebed: Verhef U over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

Wat is dat licht van Gods aangezicht precies? 1. Het is in de eerste plaats een staat, een toestand van mogen weten dat ik verzoend ben met God. Dat is waar een aan zonde ontdekt mens het meest naar verlangt. Dat het aangezicht van de Heere, dat toornen moet en toornt vanwege mijn zonden, om Christus’ wil veranderen zal in een vriendelijk aangezicht (Psalm 97:1, ber.). En dus zegt het Godzoekende hart: ‘Er is van alles om voor het komende jaar op te hopen en naar uit te zien, maar één ding, Heere, zend Uw licht in mijn duisternis en breng me (verloren schaap als ik ben) bij U terug. Wat is het dat ik verwacht, mijn hoop staat op U alleen. Toon me toch het liefelijke licht van Uw vriendelijke aangezicht. Brengt U me toch tot een staat van verzoening en vrede met u. Bekeert u me toch, dan zal ik bekeerd zijn.’

Wat is dat licht van Gods aangezicht precies? 2. Het is in de tweede plaats het ervaren van de nabijheid van Christus. De bruid van Christus kan zuchten in de duisternis: Ik zocht Hem (de Bruidegom!), maar ik vond Hem niet (Hooglied 3:2). Dan is het donker. Maar licht is het, als ik mag uitroepen: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen (Hooglied 2:8). Dan begint het donker van de nacht toch weer op te klaren, als ik Hem, de blinkende Morgenster, de Zon der gerechtigheid, weer in het oog mag krijgen.

Wat is dat licht van Gods aangezicht precies? 3. Het is in de derde plaats dat ik weten mag, dat God in gunst op mij neerziet. Daarom zuchten we in tijden van donkerheid: O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden (Psalm 80:4). God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten (Psalm 67:2). En als de Heere me dan, midden in dat donker, in gedachten brengt de woorden van Psalm 73 ‘Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst (hoewel ik Hem niet zie, Hij mij wel) op die Hem vrezen’, dan gloort er in het donker van de nacht toch weer licht, het licht van de nieuwe morgen.

Wat is dat licht van Gods aangezicht precies? 4. Het is in de vierde plaats het licht van Gods vriendelijke aangezicht, dat mij niet laat zien op de dingen van deze tijd, maar dat mijn hart over de dingen van de tijd laat heenzien, naar een zalige toekomst. Want wie iets van dit licht gezien heeft, die wil in de duisternis niet meer wandelen. Die verwacht diep in zijn of haar hart niets meer van deze aarde, maar (zo zeggen we) we verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde (2 Petrus 3:13).

Wat een uiterste contrasten: onze duisternis en dit door God gegeven licht. Hoe is dat toch mogelijk? Omdat het Licht der wereld in deze wereld gekomen is. De Heere Jezus Christus kwam, vrijwillig, in de nacht van ons donkere bestaan (Johannes 1:5, 9). Wij, mensen, hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Dat waren wij, zo waren wij. Maar desondanks is dat eeuwige Licht door God gebracht in onze duisternis. Gebracht in de duisternis van Bethlehem, gebracht in de duisternis van Gethsémané en Golgotha, in de inktzwarte nacht van door God verlaten zijn. Hij, Christus Jezus, in de duisternis, voor ons, kinderen van God, opdat onze duisternis door Zijn duisternis zou worden tot het licht van de glorende morgen en van de aanlichtende dag. Dit gebed ‘Verhef Gij over ons het licht van Uw aanschijn, o HEERE’, is dus ten diepste het gebed: ‘Toon ons, o Heere, Uw Gezalfde, Uw Christus.’ En mogen we in Zijn licht het licht zien (Psalm 36:10)? Het zien van Gods licht is ten diepste het zien van Gods aangezicht dat toornig was, maar dat om het leven, lijden en sterven van Christus en om Zijn opstanding uit de doden weer oplicht als een vriendelijk aangezicht.

Misschien zegt u: ‘Maar hoe kan het toch donker zijn, in het leven van Gods kinderen? God is toch een Licht, en er is toch gans geen duisternis in Hem? (1 Johannes 1:5) Waardoor het donker wordt?

1. In de eerste plaats door onze zonden, door een zorgeloos en werelds leven, door het verwaarlozen van gebed, Bijbellezen en stille overdenking. God is wel Licht, maar als wij Hem verlaten, dan komen we in het donker.

Dus als het nooit donker is in uw leven, dan hebt u een probleem. Dan zijn er volgens mij maar twee mogelijkheden. Of u leeft altijd met God. Dan is het altijd licht. Maar de praktijk van uw leven verraadt ongetwijfeld (net als bij iedereen) dat dat niet zo is en niet zo kan zijn. Of, en dat is de tweede mogelijkheid, u bent blind. Dan ziet u niet het verschil tussen licht en donker. En als u donker dan ook nog eens licht noemt, dan is het (zegt u) altijd licht. Gods kinderen leven hier op aarde vaak in het donker van de nacht. We gaan onze weg bij maanlicht, verwachtend en uitziend, meer dan de wachters, naar het licht van de nieuwe morgen (Psalm 130).

2. Het is in de tweede plaats vaak donker in het leven van Gods kinderen, niet alleen vanwege onze zonden, maar ook vanwege Gods wijsheid. Het is Gods wil en wijsheid, zoals de Prediker het zegt, dat de dagen der duisternis veel zullen zijn (Prediker 11:8). Pas na dit leven geldt wat staat in Openbaring 21:25: Daar zal geen nacht meer zijn. Dus als u niet, als u nooit verlangt naar licht, naar het licht van Gods vriendelijke aangezicht, vanwege het donker van uw ziel en het duister van uw leven op deze aarde, dan…, dan stelt u die andere vraag: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’

De vraag, ‘Verhef toch over ons het licht van Uw aanschijn, o HEERE’, dat is een vraag die opkomt uit een hart dat genade kent. Zo’n hart (kijkt u ondertussen maar in uw eigen hart) richt zich naar boven, op God, terwijl het zegt: ‘Laat Uw licht, het vriendelijke licht van Uw gunst, o Heere, toch over ons schijnen.’ Zo’n hart richt zich op de trouw, op de eenzijdige trouw van de HEERE, terwijl het zegt: ‘O, HEERE (geschreven met vijf hoofdletters), ik heb U nooit gezocht. Maar ik doe een beroep op Uw eenzijdige goedheid en genade, diepgeworteld in de eeuwige liefde van Uw welbehagen en in het vaste verbond dat U met Christus hebt gemaakt.’ Zo’n hart vindt rust en vrede bij God. Voor nu, voor dit jaar en voor altijd.

Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, we zoeken rust en vrede bij God. En we vinden die, naar de mate waarin God ons die geven wil, bij Hem. Als we teveel zouden krijgen, zouden we Hem niet meer zoeken. Als we niets zouden krijgen, zouden we van verdriet omkomen. Dus zorgt de Heere als een hemelse Vader, die precies weet wat Zijn kinderen nodig hebben.

Die goede zorg van de HEERE, die wordt hier beloofd aan hen die Hem zoeken. En die vindt zijn garantie (o, wat bent u er toch beroerd aan toe, u die deze garantie niet hebt!), die vindt zijn garantie in Zijn Naam: HEERE (nogmaals, geschreven met vijf hoofdletters). Die HEERE laat, ook in dit jaar, niet en nooit varen het werk van Zijn handen. Alles wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan. Hij is zo getrouw als sterk. En dat alles ligt vast in God, in het onwankelbare van Zijn trouw. Zijn macht is groot, Zijn trouw zal nooit vergaan (Psalm 93:4).

En daarbij ligt er zoveel troost en bemoediging in wat God eerder, in vroeger jaren deed. Want Hij verandert niet. Hij is gisteren en heden Dezelfde en tot in der eeuwigheid (Hebreeën 13:8). U hoort die troost, in wat David zegt in vers 8: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. U gaf me in het verleden vreugde, blijdschap en licht. En U verandert niet. En dus is er zekere rust en rustige zekerheid in U, HEERE, zoals ook blijkt uit vers 9: Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen; want U, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. Met andere woorden: ik kan, wat er ook gebeurt en welke stormen er ook over mijn leven gaan en waarheen de Heere mijn weg ook leidt, rustig en vredig gaan slapen, van ’s Heeren trouw bewust. Ik hoef geen kwaad te vrezen, want Hij is met mij, Zijn stok en Zijn staf, die vertroosten mij (Psalm 23:4).

Beste vrienden, kent u deze enige troost, dat u in alle donkerheid die er kan zijn, hoe donker het ook is, met een zucht om en een beroep op Gods trouw, toch bemoedigd dit jaar in mag gaan? Of verlangt u alleen maar naar de dingen van deze tijd? Naar een gerust leventje zonder God? Misschien wel tevreden met uw godsdienstige plichten, maar toch zonder God? Zonder gevoel van uw nood? U voelt u nood niet... U ziet uw gevaar niet...

U houdt u, jaar in jaar uit en nog steeds, bezig met het verzamelen van schaduwen die voorbijgaan. Straks zal klinken: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven (Lukas 16:25). U hebt alles al gehad. Dat was alles… En nu is er eeuwige pijn….

Voor Gods kinderen zal het anders zijn. Voor hen geldt: nu is er vaak zo veel onrust, zoveel donkerheid en duisternis, angst en vrees, pijn en verdriet, nu is er zo vaak zoveel stil Godsgemis en zuchten om mijn zonden die Gods hoogheid schonden. Maar straks (blij vooruitzicht dat ons streelt!) zijn de dagen van de donkerheid voorbij. Dan zal God onze druk verwisselen in geluk. Want er blijft een rust over voor het volk Gods (Hebreeën 4:9). Wereldse blijdschap is als een flikkerend kaarslichtje dat voorbij gaat (Spreuken 14:3). Als u daar dan echt van genieten wilt, doe het dan maar… Maar nee, ik bid u, doe het toch niet! Want het gaat allemaal voorbij! Uw licht zal gedoofd worden in zwarte duisternis, in een inktzwarte nacht zonder God en zonder hoop. Kom, zoek de hemelse blijdschap! Hier nog zo vaak zuchtend, verlangend, hopend, nog zo vaak biddend: O Heere, breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten (Psalm 67, 80) Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

Maar dit zuchten, volk des Heeren, is tijdelijk. Vanwege Gods trouw (HEERE is Zijn Naam!), vanwege de onveranderlijke Christus is dit uw toekomst: Onze druk zal verwisseld worden in geluk. En daarom: hoop op God! Onze blijdschap zal straks (nu nog niet, de vreugde van nu, de vreugde van vers 8 gaat voorbij), onze blijdschap zal straks onbepaald, door het licht dat van Zijn aangezicht straalt ten hoogste toppunt stijgen. Van die toekomst en van die plaats geldt: En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid (Openbaring 22:5).

Amen. Slotzang Psalm 68:2

Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wens verkrijgen; Hun blijdschap zal dan, onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eren; Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn naam is HEER der heren.