Vrije stoffen en preken rondom het kerkelijk jaar.
Adam, waar zijt gij? - Genesis 3
Genesis 3:9: En de HEERE God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?
Henoch wandelde met God – Genesis 5
Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Geboorte van Noach, hij zal ons troosten – Genesis 5
Genesis 5:29: En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft.
De ark van Noach werd gesloten – Genesis 7
Genesis 7:16: Noach nu was zeshonderd jaar oud als de vloed der wateren op de aarde was.
De vrouw van Lot – Genesis 19
Genesis 19:24-26: Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sódom en over Gomórra regenen, van den HEERE, uit den hemel. En Hij keerde dezelve steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
Hagar en Ismaël – Genesis 21
Genesis 21:14: Toen stond Abraham des morgens vroeg op en nam brood en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Berséba.
Jozef in de put - Genesis 37
Genesis 37:20: Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal.
Op Uw zaligheid wacht ik – Genesis 49
Genesis 49:18: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE.
Mozes in biezen kistje – Exodus 2
Exodus 2:3: Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.
Gods vinger in de corona-epidemie – Exodus 8
Exodus 8:19: Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger. Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.
Bloed van het paaslam (deel 1) – Exodus 12
Exodus 12:7: En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten en aan den bovendorpel, aan de huizen in dewelke zij het eten zullen.
Doe het zuurdesem weg (deel 2) – Exodus 12
Exodus 12:15: Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
Ons Pascha geslacht (deel 3) – Exodus 12
Exodus 12:21: Mozes dan riep al de oudsten van Israël en zeide tot hen: Leest uit en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen en slacht het pascha.
Wolkkolom en vuurkolom (deel 4) – Exodus 13
Exodus 13:21: En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hun lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
Een doodlopende weg – Exodus 14
Exodus 14:13-14: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
Door Rode Zee of Schelfzee (deel 5) – Exodus 14
Exodus 14:13-14: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
Het lied van Mozes (deel 6) – Exodus 15
Exodus 15:13: Gij leidt door Uw weldadigheid dit volk dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de lieflijke woning Uwer heiligheid.
Mara, bitter water (deel 7) – Exodus 15
Exodus 15:23: Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.
Manna, hemels brood (deel 8) – Exodus 16
Exodus 16:14-15: Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde. Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
Rafidim, water uit de steenrots (deel 9) – Exodus 17
Exodus 17:1: Daarna toog de ganse vergadering der kinderen Israëls naar hun dagreizen uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidîm; daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
Mozes, Aäron en Hur, oorlog Amalek (deel 10) – Exodus 17
Exodus 17:8-9: Toen kwam Amalek, en streed tegen Israël in Rafidîm. Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
Jethro, de Midianiet (deel 11) - Exodus 18
Exodus 18:8: En Mozes vertelde zijn schoonvader alles wat de HEERE aan Farao en aan de Egyptenaars gedaan had om Israëls wil; al de moeite die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.
Op vleugelen arenden gedragen (deel 12) - Exodus 19
Exodus 19:4: Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
Niet in één jaar, maar stap voor stap (deel 14) - Exodus 23
Exodus 23:30: Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
Moet Mijn aangezicht met u gaan? - Exodus 33
Exodus 33:14-15: Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.
Het brandoffer – Leviticus 1
Leviticus 1:4: En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen.
De HEERE zegene u – Numeri 6 (afscheid)
Numeri 6:24-26: De HEERE zegene u en behoede u; De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.
Betekenis van de wolk- en vuurkolom – Numeri 9
Numeri 9:15-17: En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen. Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs. Maar naar dat de wolk opgeheven werd van boven de tent, alzo verreisden ook daarna de kinderen Israëls; en in de plaats waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israëls.
Hobab, de zwager van Mozes (deel 15) – Numeri 10
Numeri 10:29: Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats van dewelke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven. Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
Sta op, HEERE; Tabera in woestijn (deel 16) - Numeri 10-11
Numeri 10:35: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
Eldad en Medad profeteren - Numeri 11
Numeri 11:29: Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!
Grote gevaar van ondankbaarheid (deel 17) - Numeri 11
Numeri 11:34: Daarom heette men den naam derzelver plaats Kibrôth-Táäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.
Opstand Mirjam en Aäron tegen Mozes (deel 18) - Numeri 12
Numeri 12:1: Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
De verspieders van beloofde land (deel 19) - Numeri 13
Numeri 13:30-31: . En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
Het sterven van de hogepriester Aäron – Numeri 20
Numeri 20:28: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.
De vrijsteden - Jozua 20
Jozua 20:2-3: Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes. Dat daarheen vliede de doodslager die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker.
Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson (I) - Richteren 13
Richteren 13:3: En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.
Simsons bruiloft in Timnath (III) - Richteren 14
Richteren 14:1: En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van de dochteren der Filistijnen,
Simson: Roeping en verleiding (II) - Richteren 14
Richteren 14:5: Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
Simson overgegeven aan Filistijnen (IV) - Richteren 15
Richteren 15:11: Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.
Simsons dorst in Lechi (V) - Richteren 15
Richteren 15:18: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand dezer onbesnedenen?
Simson en stadspoort van Gaza (VI) - Richteren 16
Richteren 16: Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar een vrouw die een hoer was, en hij ging tot haar in.
Delila en de tempel van Dagon (VII) - Richteren 16
Richteren 16:30: Als nu Delíla zag dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op en brachten het geld in hun hand.
De keus van Orpa - Ruth 1
Ruth 1:14-15: Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.
Lijm aan je hart - Ruth 1
Ruth 1:14: Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.
De keus van Ruth - Ruth 1
Ruth 1:16: Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heen gaan, zal ik ook heen gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.
Hanna, kinderloos – 1 Samuël 1
1 Samuël 1:11: En zij beloofde een gelofte en zeide: HEERE der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet en mijner gedenkt en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat den HEERE geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
Het lied van Hanna - 1 Samuël 2
1 Samuël 2:1: Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt op van vreugde in den HEERE, mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.
Hofni en Pinehas - 1 Samuël 2
1 Samuël 2:17: Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.
Er kwam een man Gods tot Elia – 1 Samuël 2
1 Samuël 2:27: En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
50 van 458 preken